#42 beste thijs, ouwe linkeballer

Beste Thijs, Ik mag jou. Je vertelt dingen iets te stellig, je haar zit net iets te gesoigneerd en voor menig vrouw ben je welhaast de ideale man (want o zo sportief, o zo welbespraakt en o zo vlot met de pen), maar toch lukt het me niet je niet te mogen. Jij bent het type man dat ik tot een aantal jaren geleden nog miste in en rondom het wielerpeloton. Jij bent het type man waardoor de mannelijke hipstergemeente zijn fixed gear’tje aan de kant flikkert en nu eindelijk eens echt gaat dubben over aluminium of carbon, Shimano of Campagnolo en Schwalbe of Continental. Thijs, jij bent een niche an sich, feitelijk! Vooruit, ik heb menig poging gewaagd om je voor een betweterige kwalbak aan te zien. Elke keer weer als ik aan een column van je begon. Elke keer weer als ik je naast De Mart zag zitten tijdens De Avondetappe. Ik oefende het tenenkrommen, wachtend op een moment dat je die verdomde kop van die spijker eens zou missen… Maar nee, elke keer weer weet je te veel en te specifiek álles over alles wat er zich in het peloton afspeelt. Het is weinigen gegeven, Thijs: je was er onderdeel van én je kan er over schrijven en vertellen. Jaloersmakend! Oké, we kennen wat oud-profs uit een grijzer verleden die ook de pen op hebben gepakt, maar er zijn er maar weinig van jóuw generatie die je dat nadoen. Voor zover ik weet dan. Maar dat weet jij waarschijnlijk beter… En toen las ik vandaag dit: ‘Wantrouwen in het wielerpeloton‘… In mijn hoofd zag ik alle vrouwen die jou eens begeerden zich van je afwenden, ik zag alle hipstermannen hun snelheidsduivel te koop zetten op Marktplaats (‘t.e.a.b: Giant, Shimano Ultegra, wegens wantrouwen in het wielerpeloton’) en ik… Voor het eerst kromden mijn tenen zich, Thijs, tot het me pijn deed en toen, catharsis! Ik bulderde het ganse Vlaamse Vloek Vocabulaire door mijn werkkamer. Was Thijs, míjn Thijs, de Thijs van míjn wielergeneratie, zichzelf een ‘chasse patate’ aan het schrijven?! Dat kon toch niet? Dat mocht toch niet? Nee, stelliger, zoals de vroegere Thijs: dat mocht niet, kon niet en zal niet! Toch?! Beste Thijs, verlies die kopgroep niet uit het oog! Klamp vast en weet beter! Verzuip niet in de buik van het peloton vol argwanende zuurpruimen die bij het minste of geringste om de hoek komen zetten met zinnetjes als ‘hebben we dat niet eerder meegemaakt?’. ALS-JE-BLIEFT! Alvast een tenenkrommend dankjewel, ouwe linkeballer. Ik hoop dat je ervanonder muist. Groet, Een wielerliefhebbende generatiegenoot.

#41 aan de meneer in de berm

Bron: La Voix du Nord, 13 april 2015 Katern: open brieven Aan de meneer in de berm, Het spijt me, echt. Ik had alleen maar oog voor mijn fiets, mijn derailleur, de ketting en een mogelijke crevaison. Iedereen fietste me voorbij. Ik móest wel door. Dit is geen koers voor sprinters of lichtgewichtjes en mijn stampende tijdritbenen konden mezelf wel eens verrassen. Vooruit, ik ben misschien te lang, maar vier jaar geleden werd ik hier nog vijfde, moet u weten. Mijn voorjaar was aardig, geen uitschieters, maar in de Driedaagse was ik goed, écht goed! Oké, een goddeloze Gent-Wevelgem en ook in ‘de Ronde’ een ‘Did Not Finish’ achter mijn naam, maar dat kon allemaal vergeten worden als ik als eerste die bocht uit zou komen. Kwestie van een noest Scandinavische tijdrit van 38 kilometer en ik reed solo de wielerbaan op. Ik geloofde er echt in, meneer… Gisteravond zag ik de beelden terug. ‘Goed gekozen,’ dacht ik nog, ‘beetje overmoedig,’ dat ook. Ik gaf er een klap op, ja, daar zat wat op! Maar toen ik de bocht uitkwam zag ik mezelf als een stervende zwaan het slechtste deel van de kasseien kiezen, eerst in een flits en toen in twee vertraagde herhalingen. Daar lag ik, heel even. Door mijn val richting de berm vielen er nog drie supporters, waaronder u, u was het hardst geraakt. Het zag er vervelend uit, maar iedereen leek nog heel. Wat schrammen en een blauwe plek zullen het nu wel zijn, niets om u zorgen over te maken. Hoop ik. Het beeld dat volgde wil ik nooit meer zien. De adrenaline die door mijn lijf spoot, liet een egoïstische man zien, volledig gefocust op zijn fiets, met zijn rug naar de meneer in de berm (u!) die daar in de Noordfranse klei lag. U gaf nog een half gebaar van ‘het is wel oké’ naar mensen die u niet te hulp schoten, maar toen was ik al weer onderdeel van de koers. Ik schaamde me diep om mijn totale gekte en zag de keerzijde van mijn wielrenner-zijn, gevangen in één shot: de focus op mijn fiets, op de koers, en ik… ik met mijn rug naar de mensen om me heen. Ik betuig u mijn spijt en tegelijkertijd wil ik u bedanken, meneer in de berm. Ik bedoel: het is potdikke maar fietsen, niet? Warme groet, Lars Ytting Bak

#36 fragment uit ‘plaatjesverkoper’

…”Roos bleek naast zacht ook een wat complex karakter te hebben. Na het katten-incident verslonsde het huis, er lagen geen schone boxershorts meer in mijn kast en het krat bier liep sneller leeg dan ik kon drinken. Het was duidelijk: de vergeldingsacties waren ingezet. Toch liet ze het in haar doen en laten niet merken. Ik probeerde haar te ontmaskeren, bestudeerde haar wenkbrauwen, de stand van haar lippen, de manier waarop ze kreunde, maar niks. Alsof ’s nachts de kabouters kwamen om het voor me te verpesten. Het was lastig bovendien, want Roos draaide onregelmatige diensten en ik werkte inmiddels vijf, soms zes, dagen bij Jan. We leefden langs elkaar heen, dus besloot ik het anders aan te pakken. De kamer was aardedonker. Het was net voorbij vijven in de ochtend, een week na mijn besluit. Roos kwam thuis van een nachtdienst. Ik hoorde haar sleutels landen op het aanrecht, er plopte een bierfles open en vervolgens werd deze geleegd in de gootsteen. In de seconden daarna hoorde ik haar verbazing groeien, haar ademhaling sloeg op hol, ze brieste. Middenin de woonkamer zag ze haar koffer, gevuld en wel. Dit was míjn cue, dit was háár surpriseparty en, god, dit zou ze zich heugen tot in lengte van dagen! Ik deed het licht aan en sprong op vanachter de bank. Half zes ’s morgens stond Roos op straat en zette ik het geluid van mijn telefoon uit. Ik dook nog een paar uur in bed, want dat had ik verdiend. Mijn eerste samenwoon-avontuur was uitgelopen op een fiasco en dus besloot ik alle vrouwen manipulatief en verdorven te vinden. Gewoon, voor even, want dat hielp. Van het huis zou ik weer een mannenhuis maken, met mannendingen en zo. Van Roos heb ik nooit meer iets gehoord.”

#30 lieve ken

Een mengeling van zweet en regenwater doet zijn benen glimmen. Zo rustig en soepel als hij nu de straat in rijdt, terugkerend van zijn trainingsrondje, zo bonkig en vol vuur zag ik hem vorige week zondag in de koers proberen, proberen en nog eens proberen. Ooit was ik een meisje van dertien, Ken, nieuwsgierig en vol opwinding om de kleinste dingen. Als mijn vader weer eens een nieuwe fiets had gekocht, als mijn oudere broer meedeed aan de plaatselijke kermiskoers, als ik een bidon had bemachtigd van een paar glimmende benen… Lees hier verder.

#28 arme rui

Twee uur na de finish sta ik nog steeds perplex. Tot vandaag had hij toch echt iets weg van die jongen van vroeger, die jongen die alles altijd net een tikje beter wist, die jongen die altijd net iets sterker was, die jongen die dat altijd liet merken met een uitermate smalend glimlachje. Tot enkele honderden meters voor de finish vertolkte hij die rol voor mij. Vorig jaar won hij de Ronde van Zwitserland, smalend. Ook won hij etappes in de Tour, smalend. En hij werd ook nog eens wereldkampioen in Florence, u raadt het al: smalend. Lees hier verder…

#24 draaien, draaien, draaien

De thermometer zegt 7 graden, de lucht zegt strak blauw en de benen zeggen ja. De kerkklokken luiden nog niet, maar in menig huis wordt de zondagse kledij alvast glad gestreken. Ooit deed ik dat ook en ergens wil ik dat nog steeds. Hoewel, ik wil het maar dan anders. Zingend en lijdend, alleen, in afzondering, niet en masse in de houten banken. De polder is van mij, nergens een mens te bekennen. Ik schroef het ritme op en oefen mijn mantra: ‘draaien, draaien, draaien.’ Af en toe word ik afgeleid door taferelen der natuur: een groep schaterende ganzen, een konijn op de vlucht voor niets, een joggende vrouw. Ik betrap mezelf op deze onnozelheden en dwing mijn oor weer tot de preek, ‘draaien, draaien, draaien’, op weg naar daar waar ik wil zijn: hier. Het stemmige suizen van het asfalt zingt het credo.

#12 kristof goddaert

“Een aankomende bus kon hem niet meer ontwijken,” schreef het NRC gister. Ik had nooit bewust van Kristof Goddaert gehoord. Kristof Goddaert, gewoon, een naam uit het wielerpeloton. Een Vlaming, logischerwijs. Thijs Zonneveld twitterde een vloek, de tweede etappe van de ronde van Oman startte met een minuut stilte en de herinnering aan die in 2011 verongelukte Belg, Wouter Weylandt, kwam ook weer boven in menig artikel. Na het lezen van dit trieste nieuws zocht ik zijn erelijst op: derde tijdens het Belgisch Kampioenschap van 2009 en tweede tijdens het BK in 2012, achter Tom Boonen. Afgelopen jaar had ik voor het eerst een BK gekeken op ‘de Belg’. Stijn Devolder denderde iedereen eraf. Beulswerk was het. Dat moest Kristof Goddaert toch ook in zijn benen hebben gehad. Iemand van het beulswerk, wellicht, want ja, derde in 2009, tweede in 2012… Posthuum dwong hij respect af. Kristof Goddaert werd 27 jaar.

#3 i’ve grown so ugly

In 1956 schoot Robert Pete Williams een man dood in een nachtclub. Uit zelfverdediging, stelde hij. Hij kreeg levenslang, maar gek genoeg startte zijn carrière juist in de gevangenis. The Louisiana State Penitentiary om precies te zijn, maar in de volksmond werd deze Angola genoemd, ‘the Alcatraz of the South’. Blijkbaar waren musicologen in die tijd zo wanhopig dat ze zelfs in gevangenissen op zoek gingen naar nieuwe blueshelden. En die vonden ze in Robert Pete Williams. Ze hadden bovendien zoveel invloed dat zijn straf van levenslang naar 15 jaar werd gewijzigd. Uiteindelijk zou de beste man na 3,5 jaar weer buiten staan, hoewel hij nog wel een aantal jaren 80 uur per week moest werken voor de staat Louisiana. ‘Servitude parole’, ook wel slavernij. Maar toch: een moordenaar na 3,5 jaar weer op straat in de zuidelijke staten van Amerika… Robert Pete Williams schreef in de gevangenis alleen maar nummers over het leven daar, waaronder ‘I’ve Grown So Ugly’ met onderstaande coupletten. Luistert en leescht.

I got up this morning And I put on my shoes I tied my shoes Then I washed my face I went to the mirror For to comb my head I made a move Didn’t know what to do I tipped way forward Got to break and run Baby, this ain’t me Baby, this ain’t me Got so ugly I don’t even know myself I left Angola 1964 Go walking down my street Knock on my baby’s door My baby come out She asks me who I am And I say, honey, Don’t you know your man? She said my man’s been gone Since 1942 And I’ll tell you Mr. Ugly, He didn’t look like you