Categorieën
Verhaal Wielrennen

tour de suisse: tussentijds klassementje

Naast te lange sprintetappes, geparkeerde knechten en continentale ploegen met schreeuwende outfits is er één ding waar je me écht voor wakker kan maken. Een ding dat misschien wat statisch overkomt, niet spannend, zeg maar de meest grijze muis van de grijze muizen, maar toch, ik word er zó gelukkig van: de tussenstand van een algemeen klassement ergens halverwege een rittenkoers. Niet de definitieve uitslag, juist niet. In een definitieve top 10 hebben alle klimgeiten zich al omhoog geklauterd en bestaat de top 3 uit nepgeiten met een goede tot zeer goede tijdrit. Conclusie: nog grijzer dan de meest grijze muis van de grijze muizen.

 

Het mooie aan een tussentijds klassement is dat de echte klimgeiten nog niet en masse tegen het podium aan hikken en de sprinters er nog niet helemaal doorheen zijn gezakt. Er ontstaat een mengeling van turbodijen, puncherpoten en vedergewichten. Het hele segment aan verschillende type renners bij elkaar. En met wat geaccidenteerde etappes kunnen ze elkaar nog de loef afsteken. Hoe mooi is dat? Laten we het lijstje even doornemen:

1. De sprintende hellingvreter Michael Matthews

2. De klimmende turbo-tijdrijder Tom Dumoulin

3. De baldadige regenboogman, wat kan hij niet?, St. Petrus Sagan

4. De meesterknecht die pre-TdF nog even voor eigen kansen mag gaan, in dit geval Damiano Caruso

5. De hellingvretende sprinter Michael Albasini

6. De tijdrit-kiwi Patrick Bevin (ja, die moest ik googelen)

7. De klassiekerkont van Matteo Trentin

8. De angstgegner-overwinnaar John Degenkolb (dat verdient nog eens een mooi stukje)

9. Altijd weer een Spaanse klimmer met helaas net weer geen Olano- of Indurain-tijdrit, namelijk Ion Izagirre

10. En de toekomstige Il Imbatido/Pistolero de 2e, Marc Soler. Och man, wat is die jongen goed.

Goed, het is me duidelijk: ik hoef dat rittenkoersje in Die Schweiz niet af te kijken en als La Grande Boucle op 11 juli in Pau aankomt kan ik net zo goed op het strand gaan liggen want ook de top 10 van de Tour gaat er niet meer mooier uitzien dan op die dag.

 

T.z.t. toch maar even factchecken… Ik zet alvast een alarm in mijn agenda voor 11 juli om 17.15 uur: tussentijds klassementje bekijken. Heerlijk, heb ik mezelf dan op het strand voor wakker gemaakt.

Categorieën
Column Narcis en Hedon Verhaal

narcis en hedon: drippen op je scherm

Ik schrik hier van, ja. Ik ben een dorpsjongen, dat kan er mee te maken hebben natuurlijk. Vroeger, in groep 8, bedacht ik dunbevolkte eilanden met een beekje links en rechts, in het midden een heuvelrug voor wat zondagse recreatie, maar veel meer mocht er niet gebeuren. Bovendien moest de legenda ook nog wat subtiele geheimen vertellen en ik wilde dat dit allemaal op mijn kladblok paste. Het Rien Poortvlietgehalte was hoog. Maar als gezegd: ik schrik hier van. Ik zie kilometers neonlicht, teloorgaand geluk op te weinig vierkante meters, bruin leidingwater, moord, uitbuiting, armoede, kots: een niet te redden demografisch pandemonium.

 

Was ik nog niet aan de drank, dan trok ik er nu eentje open.

 

Na alle interne ophef wend ik me dan eindelijk tot Google: gans ander verhaal! Het moet een zintuigelijk landschap voorstellen, iets met lavendel, een hangende mistbank, wat verdwaalde twijgen en denk er voor de zekerheid nog even een voorbije storm bij. Goed, toegegeven: ik heb heel slordig gegoogeld. Lezer, vergeef me: jij bent je ook kapot geschrokken. Het is ook niet niks. Jij en ik leven in een tijd waar we een niet te tellen hoeveelheid lijntjes naar elkaar uitgooien. We swipen onze duimen de vaantjes, we drippen ons op ons stukje glas door memes, draadjes en andere ruis en op elk moment  van de dag wordt er wel een klodder naar ons gedript.

 

Gemiddeld 221 keer per dag. Dript dat tot je door?

 

Dus of het even wat prikkelarmer mag, met je Lavender Mist. Natuurlijk had ik een ander werk kunnen kiezen, maar het leek me aardig als mijn lievelingsmeisje een werk zou kiezen. Dit is wat ze koos. De schat. Want dat is ze, dat mag je best weten, lezer. Zij ziet dingen die deze dorpsjongen niet ziet. Zij begrijpt beelden waar ik geen vat op krijg. Waar de gekte me nabij is als ik naar werk van ‘the Dripper’ kijk, legt zij juist op moederlijke wijze verbanden tussen drinkend verdriet en vernieuwingsdrang. Alles zonder oordeel. Kijken is pas echt een kunst.

 

Ja, lezer, zo bekomen we weer wat van de schrik.

Categorieën
Column Verhaal

marktzicht #68

Zijn hoofd zit altijd half in z’n coltrui. Zo’n coltrui die afgelopen jaar nog niet kon, nu weer wel. Hij leest een krant waar intellectuelen de mond vol van hebben, maar lezen, ho maar. Hij perst zijn ogen samen, hij leest en leest en leest. Elke letter dient hij op te vreten. Het moet iets van verdriet zijn. Het grote zoeken naar de grote afleiding. Elke zondagochtend zie ik hem er drie cappuccino’s, een glas water en een tosti wegwerken. Hij zit voor het raam, altijd alleen. De scène lijkt zich eeuwig te herhalen. Om hem heen speelt het ritme van elke zondag zich af als een harde vanzelfsprekendheid: een bak licht valt langzaam het café binnen, een meisje laat haar te kleine hond uit, een witte Mercedes rijdt met piepende banden voorbij en een geblokte barkeeper zet de stoelen buiten. En in het midden van dit alles de man in z’n coltrui. Met liefdesverdriet denk ik zelfs. Café Marktzicht leent zich daar goed voor.
Daar zijn er maar weinig van: café’s die zich lenen voor liefdesverdriet. Helemaal op een zondagochtend. Een café dat zich leent voor echt liefdesverdriet is dunbevolkt. Hooguit een man of vier drinkt er koffie en leest een krant, allen solisten, en een barman spoelt de glazen om. Wanneer er op zondagochtend meer dan vier mensen een café bezoeken neigt dit naar een high tea. Dan telt het liefdesverdriet niet meer. Zo’n café dat zich er wel voor leent ligt bijna in het centrum van een grote stad, maar net niet. Wanneer het in het centrum ligt stroomt het café op stapavonden vol met lallende studenten en ruikt het er op zondagochtend naar dood bier, mislukte versierpogingen en sterke verhalen.
Maar hier in café Marktzicht geen glas op de vloer of de geur van bijna rake urinestralen op het toilet. Hier in de luwte mag je achter je krant gewoon een lekker potje janken.
Categorieën
Column DUIC Wielrennen

martijn wie?! – #67

Wanneer Dafne Schippers ‘boeh’ of ‘bah’ zegt, weten de media er onderzoeksjournalistiek van te maken. Als Erik ten Hag nog niet de gewenste resultaten haalt met zijn team, schrijven kritische Utrecht-watchers de club al de Zondag Amateurs in. Als Wilco Keldermans ketting eraf valt en hij ‘m er zelf weer op zet maken de media er een Zomergastenachtig item over met zijn ouders. De beste mensen vertellen dat hij vroeger altijd moest huilen als dat gebeurde, maar dat ie dat nu helemaal zelf kan. Al wandelend langs Wilco’s basisschool vertelt vader Kelderman over Wilco’s fietsavonturen. In Veenendaal. Want dat ligt nog net in Utrecht (huh?). En als Martijn Tusveld – Martijn wie?! – 18e wordt in de… – Martijn Tusveld?? – Zegt u niets?

Het is oké. – Martijn Tusveld?! – Rustig maar, het is weekend.

Nee,” duwt u er uiteindelijk wat vertwijfeld uit, “zegt me niets.”

Precies, dat dacht ik al. Vooruit, u mag drie keer raden… Sorry, u zegt?… Ik versta u niet zo goed. U mompelt een beetje, ik probeer het te ontcijferen.

Nee, geen professionele bollenpeller… Nee, heeft zich nooit gespecialiseerd in zaklopen op de Vrijmarkt… Nee, hij kan niet heel snel heel veel te hete bitterballen achter elkaar naar binnen werken. Helaas, u bent af.

Martijn Tusveld is een wielrenner en Martijn Tusveld werd gister 23 jaar. Als u googelt op Martijn Tusveld vindt u al snel nieuwsberichten die gaan over het krijgen van een stagecontract hier en een profcontract daar. Hij is lekker bezig. Prima. Oh ja: Martijn Tusveld komt uit Utrecht. En daar gaat het om.

Op dit moment houdt Martijn Tom Dumoulin uit de wind in de Ronde van Groot-Brittannië. Geen rondje voor pannenkoeken. Na zes etappes staat Martijn bovendien 30e in het algemeen klassement. Martijn is zelf dus óók geen pannenkoek. Wat ik hoop is dat Martijn een superster op de fiets wordt. Een soort Peter Sagan maar dan op z’n Hollands. Dat ie na het winnen van de regenboogtrui kwijlend wat vragen beantwoordt, de EU-problematiek oplost in tien seconden en aan het einde van het interview nog even de groeten doet aan z’n oom in Ondiep waar ie nog elke week een uurtje mee damt.

Uiteraard is deze generatie renners (Gesink, Terpstra, Poels, Dumoulin) best aardig, maar ik ben nog op zoek naar een Nederlandse renner die iedereen he-le-maal de vernieling in rijdt. Ik zie het wel voor me: ‘Tusveld wéér de sterkste in heroïsche Alpenrit’, ‘Martijn doet ze weer pijn’ en ‘Tusveld en dan heel lang niets’. Laten we hem maar vast de hemel inschrijven, elke scheet die hij laat bejubelen met ‘oh wat knap!’ en hopen dat z’n ketting er niet af dondert op de momenten dat het er om gaat.

Spannend, dat zeker! En in dat perspectief, lieve media, is het misschien toch beter om hem nog even geheim te houden. Hem koesteren… Ssst! Mondje dicht hè!

Martijn wie?!

Gefeliciteerd, Martijn. Met je verjaardag én je profcontract.

Categorieën
Column DUIC Wielrennen

een oudhollands gedicht – #65

Paulien Polderman. Gijsbert Nieuwkoop. Lodewijk Rinsma. Bram Bet.

U leest ze, maar lees ze nu even hardop voor en dan net iets harder dan u gewend bent: Paulien Polderman! Gijsbert Nieuwkoop! Lodewijk Rinsma! Bram Bet!

Voelt lekker, niet?

Wat mij betreft stuk voor stuk namen die klinken als een Oudhollands gedicht. Je ziet het voor je: de blonde polder-Paulien krijgt tóch iets met Gijsbert, een jongen van eenvoudige komaf. Dit terwijl de adellijke Lodewijk met al zijn hoffelijkheid haar had proberen te veroveren. Als reactie op deze vernietigende afwijzing besluit Lodewijk met vriend Bram zich een stuk in de kraag te zuipen. Uiteindelijk belanden de twee heren rollebollend in de rododendrons achter het landhuis van Lodewijks ouders. En dat we dan nooit precies zullen weten wat daar gebeurd is, maar er wel voor altijd om blijven giechelen. Zoiets.

Maar nee, het verhaal blijkt anders in elkaar te steken: Paulien Polderman, Gijsbert Nieuwkoop, Lodewijk Rinsma en Bram Bet zijn namen die ik terugvind als ik de uitslag van het op 28 augustus gehouden Utrechts Tijdritkampioenschap (UTK) doorneem. Voor de duidelijkheid: tijdens het UTK fietsen eenlingen met piepende longen en de tong op het stuur heel erg hard over de Lekdijk. Tegen de wind in. En ook dat klopt. Ik bedoel: Paulien Polderman. Dat klinkt toch alsof je spontaan de tegenwind door je haar hoort gíeren?! En dan Gijsbert Nieuwkoop. Een Hollandschere en harder stoempende naam op kop van een jakkerend peloton kan ik niet bedenken. Lodewijk Rinsma, je ziet hem voor je: één van de weinige tijdrijders die een universitaire studie heeft afgerond, stilist pur sang, doodstil op zijn fiets, zal door zijn lengte nooit heel hard een berg op kunnen rijden. En als laatste Bram Bet. De waterdrager, de trouwe knecht, de man die het eigenlijk voor de lol doet, maar lachend op laat tekenen dat hij daar wel zo’n vier tot zes uur per dag voor op de fiets gaat zitten. Voor de lol dus. Typisch Bram.

En nu ga ik ze als de sodemieter facebooken. Ik hoop dat ik gelijk heb…

Categorieën
Column DUIC Sport

zilveren dafne – #62

In de sport zijn er aan het eind van de streep twee soorten mensen: winnaars en verliezers. Daar zit niets tussen. Het is de glorie van de gouden balk voor Sanne óf de loservlucht van Yuri terug naar Nederland (en een leuke schnabbel op Lowlands, dat wel.) Alleraardigst als ‘we’ een gouden plak winnen, tuurlijk. En ja, ik hou van winnaars als Sanne. Maar meer hou ik van de verliezende kant van de medaille, liefst met alle bijbehorende tragiek: hoogmoed, onmacht, de val en dan janken. Kei-hard janken.
Het verhaal van de verliezende sporter bijt. Vooral voor de sporter die het goud had móeten pakken, maar het net niet maar eigenlijk wel en… Enfin, pracht voer voor een mooie aflevering Andere Tijden Sport, ergens rond het jaar 2035. Subtitel: Dafne, Yuri en de Loservlucht. De aflevering zal starten met een aantal prachtige overwinningen van Dafne in de aanloop naar de Spelen van 2016. Wat randfiguren als Elaine Thompson, Churandy Martina en meneertje Hendriks zullen wat vraagjes mogen beantwoorden. Misschien nog wat triviale zaken over een verdwaalde ballenjongen of een te aanwezige supporter. Uiteraard is de interviewer een volledig verrimpelde Tom Egbers. Inclusief klassieke hapering.

Zo halverwege de uitzending tikken we de fittie tussen meneertje Hendriks en onze Yuri aan, maar het belangrijkste dendert kort daarna de aflevering binnen: onze Dafne, kroonprinses van de 100 en koningin van de 200 meter. We horen de prekende voice-over van Tom: “De sterren staan gunstig, alle vezels in haar benen schreeuwen topvorm en haar mindset verraadt in elk interview weer een eindeloos zelfvertrouwen.” Je kijkt en hoopt dat ze met terugwerkende kracht alsnog die gouden plak pakt. Net zoiets als dat je telkens weer hoopt dat die bal van Rensenbrink er tóch in gaat.

Maar de tragiek wint. En dan is er het twintig jaar oudere gezicht van Dafne. Je houdt je adem in. De diepe teleurstelling is nog altijd zichtbaar. 2016, dat moesten haar Spelen worden. Daarna blessures en nooit meer díe topvorm. De camera zoomt in op haar ogen. Vermoeid, vroeg oud geworden.Het juk van de zilveren plak, van ‘net niet’. De gebruikelijke stilte, het verbijten van Dafne, dan nog een keer die race in slow motion met op de achtergrond een tune van Dotan. Inmiddels durven we Dafne bijna niet meer aan te kijken. Te boos, te pijnlijk, te close-up.

Tot het punt dat een van de randfiguren weer in beeld komt. Hij heeft verloren, maar hij is blij. Hij heeft verloren, maar hij deed het voor iedereen die de wekker heeft gezet. Hij heeft verloren, maar hij troost Dafne. Als Churandy Martina spreekt, bestaat er meer tussen winnaars en verliezers.

Dan is er niets mooier dan een zilveren Dafne.­­

Categorieën
Column DUIC Sport

lekker knállen – #61

Het fascineert me mateloos: mannen (ook wel hulken) die zich dagelijks compleet het bilspleetzweet werken om er als een uitgehouwen standbeeld uit te zien. Álles voor de zomer, álles om een zo ‘droog’ (= laag vetpercentage) mogelijk lijf in elkaar te klussen. En dat gaat met ‘OEH!’ en ‘AAH!’ en ‘FUCK!’ en ‘KUT!’. Want dat helpt, weet ik inmiddels.

Ja, zo af en toe loop ik tussen die mannen. En dat doe ik in een niet onaantrekkelijk (al zeg ik ’t zelf) maar tenger lijf, zonder vleugeltjes aan de zijkant of een borstkas als een tank. Eerder dacht ik dat mijn gedrag als tenger hulkje zijnde niet gewaardeerd zou worden. Dat ik dubbelgevouwen zou worden achter de wc-pot als ik er maar eentje aan zou kijken. Dat ik verwikkeld zou raken in een ‘oops, I dropped the soap’-scène en dat ik dan heel veel dagen niet meer zou kunnen zitten of.. Nja, geen fijne dingen, dus hield ik me maar afzijdig. Maar vandaag kwam ik ergens achter…

Na een vakantie waarin ik mezelf volledig had dicht geslibd met tig schimmelkazen, hart verdikkende fuet-plankjes en sloten witte wijn sjokte ik maar weer eens naar de sportschool. Geen grote voornemens, gewoon even het lijf aanzwengelen. Tussen de hulken, met al m’n kinderlijke onzekerheidjes. Oké, dat kon anders wist ik nu. Na het overwinnen van mijn rijangst  moest dit ook te tackelen zijn. Kwestie van hun gedrag kopiëren: beetje in de spiegel kijken, beetje tof doen, beetje Clinton Eastwood-achtig knikken naar elkaar. Gedrag dat ik feitelijk in het leven van alledag ook vertoon.

Goed, daar ging ik dan. Eerst de gang langs de muffe kleedkamer, waar mannen in onwaarschijnlijke poses zich meer per ongeluk maar soms expres aan elkaar tonen, en daarna, hop, aan de apparaten. Veertig backflipping leg pressers with no hands en twintig grondige backbone fuck ups verder was het dan zover: interactie. Er ging een wereld voor me open. Ik knikte naar die lange en naar die kale en naar die schele en iedereen was er ‘cool’ mee en knikte terug. Ik bekeek mezelf eens kritisch in de spiegel en spande mijn rechter bovenarm. Niemand lachte. Níemand lachte! Dus schoot ik zelf maar in de lach.

“Hée Jos, kommie lekker knállen, jochie?!” vroeg m’n brede buurman belangstellend. “Leuke stukkies op dat DUIC, láche mán!” vervolgde hij.

“Thanks,” antwoordde ik, uiterst tof.

Lekker knállen dus.

Categorieën
Column DUIC Sport

geen service – #60

Ik beken: ik krijg niets mee van de Olympische Spelen. Vorig jaar was ik offline toen de Tour in Utrecht startte, dit jaar mis ik de fenomenale bovenbenen van onze Dafne en onze Tom. Maar goed, voor een mooie vakantie en linksboven in het scherm van m’n telefoon de mededeling ‘Geen service’ heb ik wat over. Zei ik tegen haar maar dat dacht ik dus niet. En dat begin ik nu te voelen. Geen flits, geen snapshot, he-le-maal níets heb ik nog gezien. Goed, onze Jeroen mag de driekleur dragen, onze Yuri houdt van een drankje of wat, en onze Tom moet nog één keer de eer laten aan het afzwaaiende achterwerk van het paard Cancellara, maar dat zijn allemaal dingen die ik gelézen heb, niet gezien.

Vakantie is leuk, maar het internet in de Franse Drôme lijkt uit het prehistorische Fanny Blankers-Koen-tijdperk te komen. En dan onze ‘camping aire naturelle’ (zo’n camping uit hetzelfde tijdperk, waar de voorzieningen bestaan uit een waterpomp, een poepkuil, een rafelige waslijn en geen stroom): het klinkt uitermate gezond voor een doorgedigitaliseerde Randstedeling als ik. Even eruit, even de boel de boel, even helemaal niks. ‘Helemaal niks’ is het geworden. U zegt ‘luxepaard’? Prima, deert me niet. Ik hunker inmiddels naar een te uitvoerige Studio Sport-uitzending over onze Dafne en wel of geen make-up, een meditatief kwartiertje in het kikkerbad met onze Kromo en een driedelige documentaire over wat onze volleybal-dames eten.

Terwijl ik een handwasje doe bij de waterpomp, mijmer ik verder. De dagen duren lang hier en nu ik er over nadenk… Ik weet geeneens meer welke dag het is. Erger: ik weet niet meer wanneer onze Dafne de finales 100 en 200 meter gaat winnen! In een loom tempo hang ik de was aan de lijn. Ik laat het zeer het zeer maar zijn, het gemis het gemis en ik haal m’n schouders op.

“Als je maar thuis bent voor dat standbeeld van haar op de Neude wordt onthuld joh,” fluistert ze in m’n oor.

Categorieën
Column DUIC Sport

autohart – #59

Een autohart, daar lachte ik om. Het was voor shag draaiende gasten die hun mbo niet hadden afgemaakt of voor CEO’s met een geslachtsdeel compenserende drang. In mijn ogen waren het aandachttrekkers die zo niet heel hard ‘HALLO, IK LOOP HIER!’ hoefden te schreeuwen, maar een gaspedaal in konden drukken en dat dat stuk ijzer dan ‘VROAAARRR!’ zei. Dat behoefde verder geen uitleg. En dan lachte ik nóg harder.

Ik beken: ik behoorde tot de groep langharige alternatievelingen die het heel tof vond om op achttienjarige leeftijd géén rijbewijs te halen. Het OV zou me overal brengen en bovendien kon ik er dan altijd voor kiezen om laveloos te stranden op een Amsterdam Sloterdijk of Rotterdam Alexander. Dát was leven. Niet dat net voor twaalven vertrekkende BOB-volk met hun te dure auto’s met door knuisten gemaakte special edition velgen uit een of andere Italiaanse fabriek. Daar lachte ik om.

Schoorvoetend haalde ik acht jaar later toch mijn rijbewijs. Argument: het was soms wel fijn voor anderen als ik ook een stukje reed. Mijn omgeving knikte instemmend. Na het behalen van mijn rijbewijs reed ik een keer naar Brugge, een keer naar een houten hut in de Duitse Eifel en met een paar vrienden reed ik mijn voorlopig laatste ritje over de Amersfoortse stadsring. Tijdens dat ritje viel de auto stil, midden op een overvol kruispunt. Ik flipte ‘m, ik flipte ‘m buitensporig, zelfs zó buitensporig dat ik geen enkele auto de jaren daarna meer aan zou raken. En ja, daar lachten ze om.

Inmiddels zijn we wat autoloze jaren, ademhalingsoefeningen en emdr-sessies verder. Vorige week werd ik dan écht voor het blok gezet: mijn vriendin wist een 307 te bemachtigen, ik boekte een aantal nachten in een cottage onder het Bretonse Corlay, tsjah, en toen moest ik… Met klotsende oksels, gutsende zweethanden en een zeiknatte rug stapte ik in de volgeladen auto. Vanuit het nog pikdonkere Utrecht reden we weg en 1000 kilometer later parkeerde ik de Peugeot voor het huisje. Ik overdrijf niet wat ik nu ga zeggen: een overwinnaar stapte uit de auto, de chamadetrompetten tetterden in m’n hoofd, gejuich bulderde uit mijn keel. En een autohart was geboren. Ze lachte er om.

Categorieën
Column DUIC Sport

atypisch – #58

a·ty·pisch (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) afwijkend van het typische, normale

Beetje een raar woord als ik het zo lees, maar als het even kan heb ik ze het liefst atypisch. Voetballers en coaches bedoel ik dan. Liever kijk ik naar mannen met geschoren benen die een veel te steile berg op rammen, maar waar je me ook voor uit m’n bed kan halen zijn atypische figuren uit de voetbalwereld. En dan vooral interviews. Wat ze op het veld doen maakt me eigenlijk niet uit, wat ze door een microfoon zeggen des te meer. Als het typische voetballers zijn, gooi ik het liefst m’n schoen door het scherm. Maar dat is dan weer wat atypisch van míj.

Voor uw duiding even wat gedragingen van atypische voetballers en (mogelijk) bijpassende karakters:

  • een ‘tikje’ te fel – Eric Cantona;
  • te ‘talig’ – Louis van Gaal;
  • te uitgesproken – Sjaak Polak;
  • te ontwikkelde muzieksmaak – Ron Jans;
  • te slim op de middelbare school – Dennis Bergkamp;
  • te dik – József Kiprich en Jeroen Verhoeven;
  • te happig – Luis Suarez;
  • te Haags – Tom Beugelsdijk;
  • te schoorsteen – Fritz Korbach;
  • te leuk – Leo Beenhakker;
  • te hard werkend – Dirk Kuijt;
  • te weinig realiteitszin – uiteraard Gregory van der Wiel;
  • en zo kan ik nog wel even doorgaan, want er zijn er véél!…

En toen was daar afgelopen week iemand die me wees op de bij Excelsior groot geworden Utrechter Daan Bovenberg. Voor Daan Bovenberg bleek voetbal geen doel maar een middel. Duidelijker nog: een middel om te groeien als mens, zo zei hij in eeninterview met De Correspondent. Afgelopen seizoen gaf hij er de brui aan. Op z’n 27e. Gestart bij Excelsior, twee blessuregevoelige seizoenen met slechts zeventien wedstrijden voor FC Utrecht en tien voor NEC en toen weer Excelsior.

U wist dit vast al, maar ik stond met mijn oren te klapperen… Mijn nogal typische, geldbeluste ik begon met rekenen: “dus die Daan had zijn zakken toch zeker nog een jaar of vier, vijf kunnen vullen en misschien wel een paar ton per jaar (dus een miljoen in totaal) bij elkaar kunnen schrapen, schaapjes op het droge, hopla, klaar, maar hij had op z’n 27e de stalen ballen om te zeggen ‘er is meer dan voetbal, ik kap ermee’?!”

Maar gelukkig is mijn liefde voor atypische voetbalfiguren stukken groter dan de onverantwoordelijke hoeveelheden geld die ze verdienen. Eigenlijk hoop ik zelfs op meer types als Daan Bovenberg komend seizoen. Dat bijvoorbeeld een Mark van der Maarel liever cheesecake staat te bakken in een hippe koffietent op de Mariaplaats, of dat de nieuwe aanwinst David Jensen steevast in z’n neus staat te peuteren onder de lat als Utrecht een makkie heeft, of dat Erik ten Hag alleen maar in het Duits commando’s schreeuwt langs de lijn. Zoiets.

Ja, ik heb ontzéttend veel zin in een atypisch seizoen!

P.S.: die ‘iemand’ die me dat verhaal over Daan Bovenberg vertelde komt uit het onderwijs, behaalde zijn trainerspapieren, werd en is hoofdtrainer van amateurclub Altius en start dit seizoen als jeugdtrainer bij FC Utrecht. Leuk atypisch weetje dacht ik zo.