Categorieën
Column DUIC Sport

het jan kolpad – #57

Sinds kort ren ik weer rondjes door het Julianapark. Nee, niet ter voorbereiding op een of andere marathon, maar ter voorbereiding op de 10 kilometer tellende Utrechtse Singelloop op 2 oktober. (En, vooruit, ook om het ‘denkbeeldige’ inie-minie-kwabje rond m’n navel geen kans te geven.) Laat dit helder zijn: de Singelloop loopt een mens niet voor de lol. Uiteraard is het een mooi decor en er staan talloze vrienden, vage bekenden uit foute kroegen en een vergeten Tinder-date langs het parcours en ja, zij verzachten allemaal de pijn. Het is alleen dat ik tijdens een 10 kilometer altijd het gevoel krijg dat ik nét iets te ver en nét iets te hard moet lopen. Een 10 kilometer doet áltijd pijn.

Nee, dan mijn training ground. Het Julianapark is niet te groot, niet te klein, veel bomen, watertjes hier en daar, open veld, speeltuin, exotische vogels, gezellige zwaan, twee verdwaalde dixi’s en een nóg verdwaalder restaurant met een onsamenhangend oosterse kaart. Ik hijg er uit volle borst, ik tuf er m’n piepende longen leeg en de verzuring in mijn benen voelt er altijd net iets minder vervelend aan. Het Julianpark is voor een hardloper een welkome verzachtende omstandigheid. Kortom: fijn park.

Toch zit me iets dwars. Het hardlooprondje zou precies 1 kilometer moeten zijn, maar mijn hardloop-app geeft aan dat het 1,1 kilometer is. Stoor ik me aan, zoals elke zich op de Singelloop voorbereidende hardloper zich daar aan zal storen. Dat soort dingen rond je af. Na 10 rondjes wil ik ook 10 kilometer gelopen hebben, niet 11. En als ik 9 rondjes loop kom ik uit op 9,9. Het voelt alsof je de Domtoren hebt beklommen, er een selfie maakt, deze appt naar je familie met de boodschap ‘Kijk! Bovenop de Dom! 120 meter hoog!’ en dat je schoonvader dan appt ‘nee hoor, 112 meter.’ Hoe voelt dat? Precies, het klopt niet. En om dat gevoel gaat ‘t. Laat dat rondje gewoon 1 kilometer zijn, lieve gemeente. Snij wat af bij de speeltuin, demp dat vijvertje, verzin iets, maar fiks die shortcut in ieder geval!

Aan de andere kant…

Stel hè, stel… Stel dat ik die telefoon met die hardloop-app nu eens thuis laat. Stel dat ik niet als een dwangmatige hamster elk rondje hoef te kijken in wat voor tijd ik dat heb gedaan. Stel dat ik me niet hoef bezig te houden met vernietigend eerlijke cijfertjes, het exacte aantal meters en een 10 kilometer die onder de 45 minuten moet. Stel!

*Daar word ik even stil van.*

Misschien krijg ik er dan nog wel lol in ook. Lol in de pijn.

Categorieën
Column DUIC

dafne live – #56

In retrospectief tamelijk belangwekkend gebleken fragment uit mijn reisdagboek:

15 februari 2016

De zon laat zich al stevig gelden. Goed gegokt, goed geboekt. Ze glimlacht naar me. De stad is nog niet vergeven met de smerige berg toeristen die zich later in het jaar over Rome zal uitstorten. (Als een berg stront, feitelijk. U mag dat overdreven vinden, maar Rome denkt daar anders over.) De grandeur van de stad is voelbaar en stijgt nu  nog boven zichzelf en haar zeven heuvelen uit.

Hand in hand lopen we het Piazza Navona op en dan gebeurt het: voor het eerst zie ik Bernini live. In de Vierstromenfontein hebben zich een aantal machtige bovenlijven verzameld rond een voor mij niet al te interessant obelisk (moeilijk woord voor ‘punt’.) Het gaat me om die lijven, die vlezige ledematen, die bonken van bovenbenen, die onwaarschijnlijke kracht die is uitgehouwen door de maker. Natuurlijk, voor ik vertrek sla ik als ieder ander de reisgidsen open met de bekende plaatjes en zie ik ook de Bernini’s en dan, tsjah… barok hè: aardige versierseltjes, maar ook een beetje overdreven, beetje te groot ook allemaal. Op voorhand aardig, maar meer dan er één pistache-bolletje weglikken lijkt me niet nodig.

Nee, dan het vleesgeworden marmer van Bernini. Dat móet je live zien! Ik voel de fonteinfiguren naar me grijpen. Dit is andere koek…

Nu ik mijn veel te barokke woorden weer lees, lach ik en knik ik. En geef ik mezelf nog steeds gelijk.

Wat weken geleden keek ik naar De Mart (minder goed bekend als Mart Smeets) en zijn saluut. Hij zei de woorden tegen Matthijs die ik in februari schreef: ‘dat móet je live zien!’ Het mag wel eens gezegd: De Mart heeft gelijk. Er worden wel eens aardige muziekjes geschreven, de Nachtwacht van Rembrandt doet leuk mee en de beelden van Bernini (‘Dat móet je li…) benaderen het, maar het grootste kunstwerk van de hedendaagse tijd zijn de bovenbenen van Dafne: die móet je live zien!

Afgelopen week vrat ze de Olympische baan in Amsterdam op, gister ging ze vrolijk verder met een ererondje door Monaco (en won ze in een rustige 10,94) en in augustus rennen de bovenbenen van Dafne de Olympische finale 100 en 200 meter. Deze bovenbenen zullen geschiedenis schrijven, wat ook een kunststukje is als dat zou lukken, overigens. Wat mij betreft zetten we die bovenbenen op een sokkel, midden op de Neude.

Dafnes marmergeworden vlees.

Dat móet je live zien!

Categorieën
Column Wielrennen

beste vincenzo – #55

Beste Vincenzo,

In navolging van Vino wil ik je ook graag een brief schrijven. 

Gefeliciteerd. Dat ten eerste. 

Ik baal. Van jou. Dat ten tweede.

Vincenzo, de tijd kan soms best prettig zijn. Het helpt me te vergeten en te verzachten betreffende dat wat is geweest (Giro.) Daarbij brengt het me heel veel, want het laat me reikhalzen en uitgelaten zijn over dat wat komt (Tour.)

Maar toch, er moet me iets van het hart…

Ten diepste weet je dat jouw geheven armen een leugen zijn. Na 1, 2 dagen met darmklachten rond te hebben gereden, fietste je alle karretjes op de beslissende momenten in de (jouw?) poep. En één karretje in de sneeuw. Begrijp me niet verkeerd, ik vind je een juweel op de fiets. Ik heb je op fantastische manieren zien winnen – 2e etappe TdF 2014 is bij mij favoriet – en verliezen. In een eerlijke wereld was dat verliezen afgelopen week gebeurd, sowieso. Dat weet je. Ten diepste.

Oké, de wereld is oneerlijk. Daar heb ik me na afgelopen weekend maar weer eens bij neer moeten leggen (na een berg verwensingen waar ik speciaal het Italiaanse woordenboek voor heb gepakt.) Maar toch, ook dan is het eenvoudig, Vincenzo: je hebt niet gewonnen op eigen kracht, je had niet de sterkste benen in koers en dat niet ruiterlijk toegeven zint me niet. Je wint de Giro, je bent een held in Italië en dus een Man, met hoofdletter inderdaad. Geef het ruiterlijk toe: ‘Steven was sterker, ik was geslepener. Oh, en ik respecteerde de roze trui effe niet.’ Niks mis mee. Basta, klaar, neem ik mijn petje diep voor je af en verdien je die hoofdletter.

Helaas, mijn petje blijft op. Ik heb weinig zo’n immense fixed mindset gezien bij een mens. Als winnende top-topsporter dien je blijkbaar koppiger te zijn dan de rest en moet de wereld geloven dat jij de sterkste bent. Doet me aan een Amerikaan denken… Het laat me in ongeloof achter, Vincenzo. Je blijft een groot renner, echt, maar kijk even om je heen, zie waar je het aan te danken hebt dat jij voor de tweede keer de Giro-held mag uithangen en erken dat je de nummer 1 bent door de stuurfout van een ander. Daar is niets mis mee, dat is (ja, heel klef) innerlijke groei en het zou je een groot mens en een grotere top-topsporter maken.

Maar goed, vooralsnog reed je één karretje in de sneeuw en de andere karretjes in de poep. En dat zaakje stinkt.

Groet,

Een fan.

Categorieën
Column Verhaal Wielrennen

een fietser te zijn – #54

Tweemaal daags 11 kilometer, meer is het niet. Op de kaart ziet mijn route er uit als een wat ongelukkige S. Óf ik fiets in zuidelijke richting, óf in noordelijke, wat me soms mijn stuur doet opvreten in dit akelige westenwindland. Mijn woon-werkverkeer bestaat uit eeuwige zijwind. In drie jaar tijd is mijn gemiddelde misschien één keer boven de 30 uitgesprongen. De bouwput rond Utrecht Centraal, de verkeerslichten, schooljeugd en die wind dus: allemaal obstakels die mijn wattage temperen. Het ligt in ieder geval niet aan mij. Vind ik.

Ik ben een commuter. Niet op de Engelse manier in een geel fluoriserend hesje, wel met de nodige inhaalsdrift en tussendoor-steek-acties. Sinds een tijdje pik ik ook graag m’n karretje aan bij Kanaleneilandscooters en carrièrevrouwen op elektrische fietsen. Zo blijft commuten leuk. Soms freewheel ik wat grotere rondjes (max 100k), maar meestal pas wanneer de temperatuur de dubbele cijfers raakt. Het type fietser dat de wielerclubs en toertochten mijdt, maar wel wil ruiken aan hoe het voelt om een echte fietser te zijn. Dat ben ik. Maar vooralsnog ben ik dus vooral een fietser, geen renner maar een wielercode onterende bestuurder van een Caad10.

Als alle andere dagen zit ik vandaag ook weer op mijn zwart-witte Amerikaan. Ik fiets alleen, want alleen fietsen vertelt me de waarheid. Fietsen met collega’s gaat me te langzaam en fietsen met een groep wielerfanaten haalt de vergelijker in me naar boven. Wat voor materiaal heeft m’n buurman? Hoeveel kilometer heeft hij dit jaar al gemaakt? Ik wil ook zulke machtige kuiten! Diep ongelukkig word ik er van. Het suizen van de banden, de repetitieve beweging van mijn benen, het ritmische gehijg, en dat alles solo. Het laat me het lijden en verlossen voelen zoals het moet zijn. Zonder wieltjeszuigerij of de chasse patate te voelen, verschrikkingen die voorbehouden zijn aan de groep.

“Rijdt ie lekker?”

Een tengere man in casual doch zakelijke kleding (mag net van de baas) komt naast me fietsen. Single-speed en stierenstuur. Foute boel, denk ik direct, maar hij blijkt thuis ook een Caad10 te hebben staan. En vervolgens heeft ie ook nog even 5000 km (versus mijn 1500) aan lactaat in z’n benen getrapt dit jaar. En dat hij van de baas met enige regelmaat zich op z’n fiets mag verplaatsen (zolang hij maar op tijd is.) Gedver. Het vergelijken is begonnen. Ik wil ook zo’n baan, ik wil ook zoveel fietsen!

“Fiets je bij een club?”

“Hè, wat? Ik? Nee. Ik fiets eigenlijk altijd alleen.”

“Ah, een solist.”

“Ja, de vrijheid.”

Ik geloof mezelf niet. ‘De vrijheid’! Pleur op, je durft jezelf gewoon niet te meten met anderen!

“Nooit gedaan?”

“Nee… Maar lijkt me op zich wel leuk hoor.”

Leugenaar.

Na nog wat plus- en minpunten uit te wisselen betreffende onze Caad10, scheiden onze wegen. ‘s Avonds check ik Strava Flyby’s. Ik blijk een stukje te hebben gefietst met ene David. David geeft er regelmatig een klap op met Fietsclub Ledig Erf. Elke week een rondje Amerongse Berg.

“Lijkt me op zich wel leuk hoor.”

Ik herhaal de zin als een mantra in m’n hoofd. Het wordt een riedeltje, alsof ik een hinkstapsprongetje doe, ongeloofwaardig en kinderachtig. Maar het gaat hier om iets bloedserieus. Óf voor altijd en alleen te malen door de zijwind, óf om een poging te doen het te benaderen. ‘Het’… Wat wil zeggen ‘hoe het voelt een fietser te zijn.’

Morgen richting Ledig Erf? 

“Lijkt me op zich wel leuk hoor.”

 

Categorieën
Column Verhaal Wielrennen

toeclips – #53

“Misschien koop ik er wel een, joh!” hoor ik pa – 51, Duitse zandkasteelbuik, flinke hijg tijdens het traplopen en een goeie snurk gedurende de nacht – tegen ons zeggen. Mijn broertje – 17, Greipelesque fitnesslijf, Amsterdam Marathon finisher 2015 en sindskort bezitter van een carbon Koga-wapen – proest z’n koffie bijna over het ganse Bagels & Beans-terras. Ik probeer glimlachend zo naar pa te kijken dat het erop lijkt dat ik hem groot gelijk geef. “Gewoon doen, leuk!” probeer ik hem goedkeurend toe te knikken.

Vooruit, mijn pa heeft wel eens op een racefiets gezeten. In z’n jonge jaren. Toeclips-tijdperk. Stalen Koga zou hij hebben gehad. We geloven hem, een soort van. Hij hoort zichzelf graag vertellen over zijn rondje Goeree-Overflakkee  – Schouwen-Duiveland. Vooral als mijn broertje net weer een paar PR’tjes op Strava heeft geknald (“Pfff, weer 4e bij dat segment. Wachten op wind mee.”). 150+ km fietste pa over de eilanden, sowieso. En dat ie één keer genadeloos op z’n plaat was gegaan. Daar lag hij dan, met zijn voeten in de toeclips, het frame in zijn middenrif gefrommeld en de benen meer dan open. Z’n ledematen zouden het woord ‘bloed’ hebben geschreeuwd, zoveel was ‘t. Aldus mijn pa. Goed, hij had dus ooit gefietst. En ik ben nog steeds op zoek naar de foto’s.

Goeree Overflakkee, ik noemde het al, het eiland waar pa en ik opgroeiden. Het eiland waar je de tegenwind al voelt voor je de deur uit stapt, waar zelfs gekóókte aardappels ruiken naar de zee en waar je op zondag zelfs niet naar je fiets durft te kíjken, laat staan ‘m berijden! Want de zondag is van God en God fietst niet op zondag, zelfs niet in een D1-tempo’tje. Dat weet iedereen. Op Goeree Overflakkee. Tenminste, in de tijd van mijn pa in z’n toeclips. Maar de tijden veranderen, bruggen en dammen zijn geslagen, RTL4-kabels zijn de wat vrijzinnigere huishoudens binnengedrongen en inmiddels instagrammen en snapchatten ook Flakkeeënaars zich ‘t RSI. En dendert tussen 18 en 25 juni ook nog eens het NK wielrennen over het Zuidhollandse eiland.

Er bestaan gelukkigere huwelijken dan wielrennen en Goeree-Overflakkee. Stiekem zijn we trots op Koos, maar als mensen een koers ‘de Hoogmis’ gaan noemen haken Flakkeeënaars af. Tuurlijk, vorig jaar aaide La Grande Boucle het kopje van Goeree. Op de zondag nota bene. Maar dit alles gebeurde in een moorddadig hoog tempo, langs de kust en ver buiten de kerkgaande dorpen. Dat kon het protestantenhart nog net verkroppen. En ook dit jaar heeft het kleine protestantenhart gewonnen van het katholieke cyclisme, want het NK wielrennen zal in geen geval op de zondag plaatsvinden. Manmoedig doch schijnheilig houdt het eiland stand tegen de paapse sportverdwazing, als ware het te trotseren tegenwind. Aandoenlijk.

Een maandje nog. Stiekem ben ik als geboren Flakkeeënaar ontzettend trots. Tot die tijd ga ik dromen over pa op z’n stalen Koga die lost uit een waaier op een of andere Flakkeese dijk tijdens het NK, zoiets. En maar malen door de wind, schuim op z’n bakkes en piepende longen. Uiteraard in z’n toeclips.

Gewoon doen, pa!

Categorieën
Wielrennen

verslaafd aan wielerstatistieken – #51

Wat lukrake statistieken van een zekere renner uit een of ander land en zijn seizoen 2016 tot dusver:

  • twaalf dagen in koers;
  • 1946,6 kilometer op zijn zadel;
  • finishte niet tijdens het kampioenschap van zijn land en
  • hij werd 84e in de derde etappe (Glenelg – Campbelltown) van de Santos Tour Down Under.

Prachtige middelmaat van een renner die we geen topper mogen noemen. Uitslagen die onder het hoofdstuk ‘In de vergetelheid’ terecht zullen komen in het wielerboek des levens. Geen schande, hij heeft bestaan. De hoofdstukken ‘Meesterknechten’, ‘Zelfs geiten houden mij niet bij’ en ‘Kleppers tegen de klok’ zijn voor anderen. Prima.

Wat duiding: sindskort ben ik verslaafd aan PCS. Pro Cycling Stats voor de niet-kenners. Een website met een onnoemelijke berg statistieken betreffende alle (semi-)professionele renners en uitslagen van eendagskoersen en de kleine en grotere rondes. De makers schijnen van Nederlandse komaf te zijn. Op PCS speur ik dagelijks naar mijn shot achterblijvers, de ‘DNF’-ers, de minuten, halve en hele uren aan achterstanden van jongens die compleet uit elkaar getrokken een finish over komen. In mijn hoofd groeien de vraagtekens achter hun naam en tegelijk vliegen de door mijzelf bedachte verklaringen me om de oren: van ‘een slechte winter’ naar ‘iets verkeerds gegeten’ tot ‘relatieperikelen’ en ‘zijn schoonmoeder ligt op sterven.’ Sinds alle wielerstatistieken op aard’ op deze website zijn gebundeld – en elke dag weer worden aangevuld – ben ik nieuwsgieriger dan ooit naar de trivialiteiten in het wielerpeloton. Een exotisch bergpuntje op een Chileense heuvel, een dubieuze kopgroep tijdens een kasseienrondje rond een of ander gebedshuis in Chișinău: ik wil alles weten.

Oh ja, bij die eerder genoemde ‘een of andere renner uit dat een of andere land’ staat trouwens nóg een aardig wapenfeitje:

Categorieën
Wielrennen

#50 grindbakgebit

13 juli 2013, Lyon. Het moet er verschrikkelijk warm zijn geweest die dag. De laatste kilometers stonden de mensen meer dan vijf rijen dik tegen elkaar aan geplakt. Het rook er naar zomer, zweet en chauvinisme, een Fransman reed voorop. Journalisten van dezelfde komaf verkneukelden zich al: dat werden prachtige koppen op hun ‘quatorze juillet’! En ook voor ons Nederlanders waren het mooie dagen: Johnny reed voor de 397e keer (tevergeefs) voorop in die prachtige trui en Bau (op dat moment 2e) en Lau (5e) deden het lekker in het algemeen klassement.

Daar was de vod – en daarmee de Franse *putain de merde!* teleurstelling. De arme Julien Simon – normaliter een uit-de-wind-houder, maar die dag in de finale van een TDF-etappe – werd door een groep achtervolgers opgevroten. Het kolfje zou naar de hand van de Zwitser Albasini zijn. Uitgemaakte zaak. Ik schreef z’n naam vast op. Man met timing en ergens wat Italiaans sprintersbloed: dat kon niet mis gaan. 

Maar het verhaal zou zich anders laten schrijven. Een ventje met een gebit als een grindbak duwde zijn neus aan ‘t venster. Vol ondeugd passeerde hij als eerste de finish. Tien, twintig centimer scheelde ‘t maar met de nummer 2. Het bleek een Italiaan, energiek en een gnuif waarvan ik in de lach schoot. Hij moest onbedaarlijk veel macht in de poten hebben voor het heuvelachtige klassiekerwerk, anders won je geen etappe in de Tour. Die moest ik in de gaten gaan houden.

Helaas. Ik bleek in de jaren daarna toch vooral te behoren tot de groep ‘gemakzuchtige kijkers.’ Ik ontwikkelde een vanzelfsprekend zwak voor mensen die vaak tweede werden (Greg & Peter), elk jaar weer hoopte ik dat Niki Terpstra een klassieker zou winnen (en jawel) en Giant werd voor mij de meest sympathieke wielerploeg in het peloton (schot voor open doel). Een clichématige wielerfan: genoeg wetend voor de kroegpraat, te weinig voor de wielerquiz.

Tot afgelopen woensdag 6 april. De wielerwereld probeerde nog steeds woorden te vinden voor wat er drie dagen daarvoor in de 100e Ronde van Vlaanderen was gebeurd, maar in Antwerpen werd er al weer een blik aan wereldse spurtersbenen open getrokken. Als clichématige wielerfan had ik eigenlijk geen tijd voor kleinere eendagskoersen, maar tijdens het zappen bleef ik – meer per ongeluk dan expres – toch hangen bij Michel en José. De renners moesten nog 5 kilometer weg trappen, de treintjes werden gevormd en iedereen voelde langzaamaan ‘t zuur de oren uitkomen. En daar was hij weer (vanaf 1:30 zonder bril), drie jaar later: het grindbakgebit! In een volledig andere rol, zich uit de naad werkend voor Der Marcel, maar hij was er weer! Vast had ik ‘m gezien tijdens andere koersen, maar als gezegd: gemakzuchtige kijker…

Maar zondag ga ik voor ‘m zitten, tijdens Parijs-Roubaix. Hij zal niet als eerste de wielerbaan opkomen. Hij zal de kastanjes, de kasseien, uit het vuur slepen voor zijn kopmannen. En ik ga iets minder die gemakzuchtige kijker uithangen. Tenminste, als het om die gnuivende grindbak van Matteo Trentin gaat.

Categorieën
Wielrennen

#49 interbellum

Welkom in de mooiste week van het jaar, vélo vererende lezer. Echt waar, de rest doet er even niet toe.

*U twijfelt, maar leest door.*

Al zijn het monsterontsnappingen van 200+ kilometers, al wint er een Nederlander L-B-L, al bestijgt er een Maastreechtse bink het Olympische podium: híer, nú en om déze week gaat het.

*Uw nieuwsgierigheid is gewekt en even droomt u weg en ziet u weer het wapperen van de zwarte leeuw op het gele doek. U kantelt het glas weer naar stevige stijgingspercentages en proeft weer even afgelopen zondag.*

Het mag! Ja! Zuip uzelve te pletter, neem de week vrij, kniel voor elk passerend frame met twee wielen en zing van zielevreugd’ over de koers! En vooruit, dat mag u een beetje aandikken met wat biggelaars.

*U bent ‘t, nondeju, met me eens! Vrouwlief schrikt van de knallende knuist op tafel. BAM!*

Wat u zondag heeft gezien was de meest sacrale editie van De Ronde van Vlaanderen sinds tijden.

*BAM #2!*

Een super-Slowaak in de mooiste en tevens lelijkste wielertrui deed alles goed en – laten we wel wezen – beter dan we hadden durven dromen.

*Super-Slowaak Petrus S.*

Onze Petrus S. – de meest roekeloze gelovige in koers – verloochende de wielerwetten en verloste zichzelf. Belangrijker nog: afgelopen zondag bracht Petrus S. het rotsvaste geloof weer terug bij de gewone man. Het geloof in de koers, het geloof in het samen bewieroken van de koers en vooral het geloof in dat sámen kunnen doen.

*Wanneer de godenverering u wat ver gaat, heeft u waarschijnlijk nog niet genoeg gedronken.*

En volgende week gaan Petrus S. en consorten het huwelijk weer aan met de Koningin der Klassiekers: Paris-Roubaix. En Petrus S. – met zijn rotsvaste geloof – zal over de kasseien heen denderen, op weg naar zijn lief die hem zal opwachten, daar, bij de finish op die wielerbaan. En wat er ook gebeurt – of hij nu wint, tweede wordt of zijn sleutelbeen breekt – hij weet één ding verdomd goed, lieve lezer: it’s bad to be sad. 

*U lacht en probeert zo nasaal mogelijk dit tegen vrouwlief te zeggen. Het liefst zal ze dit nooit begrijpen, maar zal haar hart wel een vreugdesprongetje maken om het feit dat u nog steeds een jongetje bent.*

Kijk nog even terug op De Ronde en begin u maar vast te verkneukelen over Trouée d’Arenberg en le Carrefour de l’Arbre.

Koers is geen oorlog, maar ‘t is dikwijls oorlog in koers.

Welkom in de mooiste week van het jaar.

Categorieën
Column Muziek

#11 grasnapolsky, pt. 2

Het licht scheen naar binnen zoals dat alleen op een zondagmiddag kan. De avond ervoor hielden de wolken hun vuisten nog hoog, maar toen de ochtend eenmaal kwam zagen we, zoals Maarten van Roozendaal eens zong, de pas gewassen luchten. Toch voelde de kater vervelender dan anders, de fles whiskey was leger dan anders en de brok in de keel zat hoger dan anders. Dat laatste dankzij Douglas Firs of eigenlijk Gertjan van Hellemont, de zanger en liedschrijver van dit duo, een duo dat normaal gesproken een kwartet is. Ik was blij dat ze er niet allemaal waren. Het klopte. En alles deed zeer.