Categorieën
Column Verhaal Wielrennen

Giro ’18, een druiluik – deel 3: wat de toekomst brengen moge (Sam Oomen!)

Tot slot het derde deel van mijn drieluik voor Het is Koers!

Ciao!

Giro d’Italia ’18 – Een drieluik vanaf de bank. Deel 3: Wat de toekomst brengen moge (Sam Oomen!)

Categorieën
Column Verhaal Wielrennen

Ten Dam in het geel

Ten Dam en zijn plezier in het slopen

“Ik ben goed.” dixit Laurens ten Dam.

Ik heb het hem vaker horen zeggen. Inmiddels 36, maar meer dan ooit heeft Laurens ten Dam niets te verliezen. In tegenstelling tot andere profs heeft hij de ware truc van het wielrennen ontdekt en deze zich volledig eigen gemaakt: hij heeft plezier in het fietsen. Geen turbodijen, geen punchersraket in de reet, maar een wil die sterker is dan ijzer. Hij knecht en sloopt en doet dat met een glimlach.

 

Ten Dam en het moment

In het hoofd kijken van iemand die ik nooit heb gesproken, is een lastige bezigheid. Toch heb ik het gevoel dat ik Lau ken. Ik denk dat veel mensen met mij dat gevoel hebben. Sinds de Tour de France van 2013, ook wel de Tour van Bau & Lau, is hij de boy next door geworden, de sympathieke zwager, de bier uitdelende barbecue-man in het park. Hij staat open, in het moment, hij is mindful, ook al zal die term hem zijn reet roesten. Eerst een avontuurtje richting Californië, later redacteur worden van het leuke blad Bicycling en dan ook nog eens de meesterknecht uithangen voor Giro-winnaar Tom Dumoulin: LtD doet het allemaal.

 

Ten Dam in het geel

Zojuist las ik de volgende zinnen uit dit interview met de NOS:

“Wie weet zit ik zaterdag of zondag mee en laat het peloton ons rijden. Als ik dan de kortst geklasseerde renner ben, sta je zo in het geel.”

Stel je voor dat Robert Gesink dit had gezegd. Of Janez Brajkoviç. Iedereen zou het keiharde lulkoek vinden en het verwijzen naar het Rijk der Tourfabeltjes. (Het Rijk waar Tyler H. op 23 juli 2003 ‘gewoon een goede dag’ zou hebben gehad. Daarheen.) Bovendien zouden alle meesterknechten bovenop je achterwiel gaan zitten. Maar deze woorden zijn van Laurens ten Dam, de man die plezier heeft in zijn vak. In het moment, niet denkend aan alles dat hij toch niet meer kan veranderen of dat wat hem nog in de weg kán gaan staan. Le Maillot Jaune, het kan. En ik geloof ‘m.

Zoals hij al zei: “Ik ben goed.” En anders zal het ‘m zijn reet roesten.

Categorieën
Wielrennen

#50 grindbakgebit

13 juli 2013, Lyon. Het moet er verschrikkelijk warm zijn geweest die dag. De laatste kilometers stonden de mensen meer dan vijf rijen dik tegen elkaar aan geplakt. Het rook er naar zomer, zweet en chauvinisme, een Fransman reed voorop. Journalisten van dezelfde komaf verkneukelden zich al: dat werden prachtige koppen op hun ‘quatorze juillet’! En ook voor ons Nederlanders waren het mooie dagen: Johnny reed voor de 397e keer (tevergeefs) voorop in die prachtige trui en Bau (op dat moment 2e) en Lau (5e) deden het lekker in het algemeen klassement.

Daar was de vod – en daarmee de Franse *putain de merde!* teleurstelling. De arme Julien Simon – normaliter een uit-de-wind-houder, maar die dag in de finale van een TDF-etappe – werd door een groep achtervolgers opgevroten. Het kolfje zou naar de hand van de Zwitser Albasini zijn. Uitgemaakte zaak. Ik schreef z’n naam vast op. Man met timing en ergens wat Italiaans sprintersbloed: dat kon niet mis gaan. 

Maar het verhaal zou zich anders laten schrijven. Een ventje met een gebit als een grindbak duwde zijn neus aan ‘t venster. Vol ondeugd passeerde hij als eerste de finish. Tien, twintig centimer scheelde ‘t maar met de nummer 2. Het bleek een Italiaan, energiek en een gnuif waarvan ik in de lach schoot. Hij moest onbedaarlijk veel macht in de poten hebben voor het heuvelachtige klassiekerwerk, anders won je geen etappe in de Tour. Die moest ik in de gaten gaan houden.

Helaas. Ik bleek in de jaren daarna toch vooral te behoren tot de groep ‘gemakzuchtige kijkers.’ Ik ontwikkelde een vanzelfsprekend zwak voor mensen die vaak tweede werden (Greg & Peter), elk jaar weer hoopte ik dat Niki Terpstra een klassieker zou winnen (en jawel) en Giant werd voor mij de meest sympathieke wielerploeg in het peloton (schot voor open doel). Een clichématige wielerfan: genoeg wetend voor de kroegpraat, te weinig voor de wielerquiz.

Tot afgelopen woensdag 6 april. De wielerwereld probeerde nog steeds woorden te vinden voor wat er drie dagen daarvoor in de 100e Ronde van Vlaanderen was gebeurd, maar in Antwerpen werd er al weer een blik aan wereldse spurtersbenen open getrokken. Als clichématige wielerfan had ik eigenlijk geen tijd voor kleinere eendagskoersen, maar tijdens het zappen bleef ik – meer per ongeluk dan expres – toch hangen bij Michel en José. De renners moesten nog 5 kilometer weg trappen, de treintjes werden gevormd en iedereen voelde langzaamaan ‘t zuur de oren uitkomen. En daar was hij weer (vanaf 1:30 zonder bril), drie jaar later: het grindbakgebit! In een volledig andere rol, zich uit de naad werkend voor Der Marcel, maar hij was er weer! Vast had ik ‘m gezien tijdens andere koersen, maar als gezegd: gemakzuchtige kijker…

Maar zondag ga ik voor ‘m zitten, tijdens Parijs-Roubaix. Hij zal niet als eerste de wielerbaan opkomen. Hij zal de kastanjes, de kasseien, uit het vuur slepen voor zijn kopmannen. En ik ga iets minder die gemakzuchtige kijker uithangen. Tenminste, als het om die gnuivende grindbak van Matteo Trentin gaat.