Categorieën
Column DUIC Wielrennen

martijn wie?! – #67

Wanneer Dafne Schippers ‘boeh’ of ‘bah’ zegt, weten de media er onderzoeksjournalistiek van te maken. Als Erik ten Hag nog niet de gewenste resultaten haalt met zijn team, schrijven kritische Utrecht-watchers de club al de Zondag Amateurs in. Als Wilco Keldermans ketting eraf valt en hij ‘m er zelf weer op zet maken de media er een Zomergastenachtig item over met zijn ouders. De beste mensen vertellen dat hij vroeger altijd moest huilen als dat gebeurde, maar dat ie dat nu helemaal zelf kan. Al wandelend langs Wilco’s basisschool vertelt vader Kelderman over Wilco’s fietsavonturen. In Veenendaal. Want dat ligt nog net in Utrecht (huh?). En als Martijn Tusveld – Martijn wie?! – 18e wordt in de… – Martijn Tusveld?? – Zegt u niets?

Het is oké. – Martijn Tusveld?! – Rustig maar, het is weekend.

Nee,” duwt u er uiteindelijk wat vertwijfeld uit, “zegt me niets.”

Precies, dat dacht ik al. Vooruit, u mag drie keer raden… Sorry, u zegt?… Ik versta u niet zo goed. U mompelt een beetje, ik probeer het te ontcijferen.

Nee, geen professionele bollenpeller… Nee, heeft zich nooit gespecialiseerd in zaklopen op de Vrijmarkt… Nee, hij kan niet heel snel heel veel te hete bitterballen achter elkaar naar binnen werken. Helaas, u bent af.

Martijn Tusveld is een wielrenner en Martijn Tusveld werd gister 23 jaar. Als u googelt op Martijn Tusveld vindt u al snel nieuwsberichten die gaan over het krijgen van een stagecontract hier en een profcontract daar. Hij is lekker bezig. Prima. Oh ja: Martijn Tusveld komt uit Utrecht. En daar gaat het om.

Op dit moment houdt Martijn Tom Dumoulin uit de wind in de Ronde van Groot-Brittannië. Geen rondje voor pannenkoeken. Na zes etappes staat Martijn bovendien 30e in het algemeen klassement. Martijn is zelf dus óók geen pannenkoek. Wat ik hoop is dat Martijn een superster op de fiets wordt. Een soort Peter Sagan maar dan op z’n Hollands. Dat ie na het winnen van de regenboogtrui kwijlend wat vragen beantwoordt, de EU-problematiek oplost in tien seconden en aan het einde van het interview nog even de groeten doet aan z’n oom in Ondiep waar ie nog elke week een uurtje mee damt.

Uiteraard is deze generatie renners (Gesink, Terpstra, Poels, Dumoulin) best aardig, maar ik ben nog op zoek naar een Nederlandse renner die iedereen he-le-maal de vernieling in rijdt. Ik zie het wel voor me: ‘Tusveld wéér de sterkste in heroïsche Alpenrit’, ‘Martijn doet ze weer pijn’ en ‘Tusveld en dan heel lang niets’. Laten we hem maar vast de hemel inschrijven, elke scheet die hij laat bejubelen met ‘oh wat knap!’ en hopen dat z’n ketting er niet af dondert op de momenten dat het er om gaat.

Spannend, dat zeker! En in dat perspectief, lieve media, is het misschien toch beter om hem nog even geheim te houden. Hem koesteren… Ssst! Mondje dicht hè!

Martijn wie?!

Gefeliciteerd, Martijn. Met je verjaardag én je profcontract.

Categorieën
Column DUIC Wielrennen

een oudhollands gedicht – #65

Paulien Polderman. Gijsbert Nieuwkoop. Lodewijk Rinsma. Bram Bet.

U leest ze, maar lees ze nu even hardop voor en dan net iets harder dan u gewend bent: Paulien Polderman! Gijsbert Nieuwkoop! Lodewijk Rinsma! Bram Bet!

Voelt lekker, niet?

Wat mij betreft stuk voor stuk namen die klinken als een Oudhollands gedicht. Je ziet het voor je: de blonde polder-Paulien krijgt tóch iets met Gijsbert, een jongen van eenvoudige komaf. Dit terwijl de adellijke Lodewijk met al zijn hoffelijkheid haar had proberen te veroveren. Als reactie op deze vernietigende afwijzing besluit Lodewijk met vriend Bram zich een stuk in de kraag te zuipen. Uiteindelijk belanden de twee heren rollebollend in de rododendrons achter het landhuis van Lodewijks ouders. En dat we dan nooit precies zullen weten wat daar gebeurd is, maar er wel voor altijd om blijven giechelen. Zoiets.

Maar nee, het verhaal blijkt anders in elkaar te steken: Paulien Polderman, Gijsbert Nieuwkoop, Lodewijk Rinsma en Bram Bet zijn namen die ik terugvind als ik de uitslag van het op 28 augustus gehouden Utrechts Tijdritkampioenschap (UTK) doorneem. Voor de duidelijkheid: tijdens het UTK fietsen eenlingen met piepende longen en de tong op het stuur heel erg hard over de Lekdijk. Tegen de wind in. En ook dat klopt. Ik bedoel: Paulien Polderman. Dat klinkt toch alsof je spontaan de tegenwind door je haar hoort gíeren?! En dan Gijsbert Nieuwkoop. Een Hollandschere en harder stoempende naam op kop van een jakkerend peloton kan ik niet bedenken. Lodewijk Rinsma, je ziet hem voor je: één van de weinige tijdrijders die een universitaire studie heeft afgerond, stilist pur sang, doodstil op zijn fiets, zal door zijn lengte nooit heel hard een berg op kunnen rijden. En als laatste Bram Bet. De waterdrager, de trouwe knecht, de man die het eigenlijk voor de lol doet, maar lachend op laat tekenen dat hij daar wel zo’n vier tot zes uur per dag voor op de fiets gaat zitten. Voor de lol dus. Typisch Bram.

En nu ga ik ze als de sodemieter facebooken. Ik hoop dat ik gelijk heb…

Categorieën
Column DUIC Sport

lekker knállen – #61

Het fascineert me mateloos: mannen (ook wel hulken) die zich dagelijks compleet het bilspleetzweet werken om er als een uitgehouwen standbeeld uit te zien. Álles voor de zomer, álles om een zo ‘droog’ (= laag vetpercentage) mogelijk lijf in elkaar te klussen. En dat gaat met ‘OEH!’ en ‘AAH!’ en ‘FUCK!’ en ‘KUT!’. Want dat helpt, weet ik inmiddels.

Ja, zo af en toe loop ik tussen die mannen. En dat doe ik in een niet onaantrekkelijk (al zeg ik ’t zelf) maar tenger lijf, zonder vleugeltjes aan de zijkant of een borstkas als een tank. Eerder dacht ik dat mijn gedrag als tenger hulkje zijnde niet gewaardeerd zou worden. Dat ik dubbelgevouwen zou worden achter de wc-pot als ik er maar eentje aan zou kijken. Dat ik verwikkeld zou raken in een ‘oops, I dropped the soap’-scène en dat ik dan heel veel dagen niet meer zou kunnen zitten of.. Nja, geen fijne dingen, dus hield ik me maar afzijdig. Maar vandaag kwam ik ergens achter…

Na een vakantie waarin ik mezelf volledig had dicht geslibd met tig schimmelkazen, hart verdikkende fuet-plankjes en sloten witte wijn sjokte ik maar weer eens naar de sportschool. Geen grote voornemens, gewoon even het lijf aanzwengelen. Tussen de hulken, met al m’n kinderlijke onzekerheidjes. Oké, dat kon anders wist ik nu. Na het overwinnen van mijn rijangst  moest dit ook te tackelen zijn. Kwestie van hun gedrag kopiëren: beetje in de spiegel kijken, beetje tof doen, beetje Clinton Eastwood-achtig knikken naar elkaar. Gedrag dat ik feitelijk in het leven van alledag ook vertoon.

Goed, daar ging ik dan. Eerst de gang langs de muffe kleedkamer, waar mannen in onwaarschijnlijke poses zich meer per ongeluk maar soms expres aan elkaar tonen, en daarna, hop, aan de apparaten. Veertig backflipping leg pressers with no hands en twintig grondige backbone fuck ups verder was het dan zover: interactie. Er ging een wereld voor me open. Ik knikte naar die lange en naar die kale en naar die schele en iedereen was er ‘cool’ mee en knikte terug. Ik bekeek mezelf eens kritisch in de spiegel en spande mijn rechter bovenarm. Niemand lachte. Níemand lachte! Dus schoot ik zelf maar in de lach.

“Hée Jos, kommie lekker knállen, jochie?!” vroeg m’n brede buurman belangstellend. “Leuke stukkies op dat DUIC, láche mán!” vervolgde hij.

“Thanks,” antwoordde ik, uiterst tof.

Lekker knállen dus.

Categorieën
Column DUIC Sport

het jan kolpad – #57

Sinds kort ren ik weer rondjes door het Julianapark. Nee, niet ter voorbereiding op een of andere marathon, maar ter voorbereiding op de 10 kilometer tellende Utrechtse Singelloop op 2 oktober. (En, vooruit, ook om het ‘denkbeeldige’ inie-minie-kwabje rond m’n navel geen kans te geven.) Laat dit helder zijn: de Singelloop loopt een mens niet voor de lol. Uiteraard is het een mooi decor en er staan talloze vrienden, vage bekenden uit foute kroegen en een vergeten Tinder-date langs het parcours en ja, zij verzachten allemaal de pijn. Het is alleen dat ik tijdens een 10 kilometer altijd het gevoel krijg dat ik nét iets te ver en nét iets te hard moet lopen. Een 10 kilometer doet áltijd pijn.

Nee, dan mijn training ground. Het Julianapark is niet te groot, niet te klein, veel bomen, watertjes hier en daar, open veld, speeltuin, exotische vogels, gezellige zwaan, twee verdwaalde dixi’s en een nóg verdwaalder restaurant met een onsamenhangend oosterse kaart. Ik hijg er uit volle borst, ik tuf er m’n piepende longen leeg en de verzuring in mijn benen voelt er altijd net iets minder vervelend aan. Het Julianpark is voor een hardloper een welkome verzachtende omstandigheid. Kortom: fijn park.

Toch zit me iets dwars. Het hardlooprondje zou precies 1 kilometer moeten zijn, maar mijn hardloop-app geeft aan dat het 1,1 kilometer is. Stoor ik me aan, zoals elke zich op de Singelloop voorbereidende hardloper zich daar aan zal storen. Dat soort dingen rond je af. Na 10 rondjes wil ik ook 10 kilometer gelopen hebben, niet 11. En als ik 9 rondjes loop kom ik uit op 9,9. Het voelt alsof je de Domtoren hebt beklommen, er een selfie maakt, deze appt naar je familie met de boodschap ‘Kijk! Bovenop de Dom! 120 meter hoog!’ en dat je schoonvader dan appt ‘nee hoor, 112 meter.’ Hoe voelt dat? Precies, het klopt niet. En om dat gevoel gaat ‘t. Laat dat rondje gewoon 1 kilometer zijn, lieve gemeente. Snij wat af bij de speeltuin, demp dat vijvertje, verzin iets, maar fiks die shortcut in ieder geval!

Aan de andere kant…

Stel hè, stel… Stel dat ik die telefoon met die hardloop-app nu eens thuis laat. Stel dat ik niet als een dwangmatige hamster elk rondje hoef te kijken in wat voor tijd ik dat heb gedaan. Stel dat ik me niet hoef bezig te houden met vernietigend eerlijke cijfertjes, het exacte aantal meters en een 10 kilometer die onder de 45 minuten moet. Stel!

*Daar word ik even stil van.*

Misschien krijg ik er dan nog wel lol in ook. Lol in de pijn.

Categorieën
Column DUIC

dafne live – #56

In retrospectief tamelijk belangwekkend gebleken fragment uit mijn reisdagboek:

15 februari 2016

De zon laat zich al stevig gelden. Goed gegokt, goed geboekt. Ze glimlacht naar me. De stad is nog niet vergeven met de smerige berg toeristen die zich later in het jaar over Rome zal uitstorten. (Als een berg stront, feitelijk. U mag dat overdreven vinden, maar Rome denkt daar anders over.) De grandeur van de stad is voelbaar en stijgt nu  nog boven zichzelf en haar zeven heuvelen uit.

Hand in hand lopen we het Piazza Navona op en dan gebeurt het: voor het eerst zie ik Bernini live. In de Vierstromenfontein hebben zich een aantal machtige bovenlijven verzameld rond een voor mij niet al te interessant obelisk (moeilijk woord voor ‘punt’.) Het gaat me om die lijven, die vlezige ledematen, die bonken van bovenbenen, die onwaarschijnlijke kracht die is uitgehouwen door de maker. Natuurlijk, voor ik vertrek sla ik als ieder ander de reisgidsen open met de bekende plaatjes en zie ik ook de Bernini’s en dan, tsjah… barok hè: aardige versierseltjes, maar ook een beetje overdreven, beetje te groot ook allemaal. Op voorhand aardig, maar meer dan er één pistache-bolletje weglikken lijkt me niet nodig.

Nee, dan het vleesgeworden marmer van Bernini. Dat móet je live zien! Ik voel de fonteinfiguren naar me grijpen. Dit is andere koek…

Nu ik mijn veel te barokke woorden weer lees, lach ik en knik ik. En geef ik mezelf nog steeds gelijk.

Wat weken geleden keek ik naar De Mart (minder goed bekend als Mart Smeets) en zijn saluut. Hij zei de woorden tegen Matthijs die ik in februari schreef: ‘dat móet je live zien!’ Het mag wel eens gezegd: De Mart heeft gelijk. Er worden wel eens aardige muziekjes geschreven, de Nachtwacht van Rembrandt doet leuk mee en de beelden van Bernini (‘Dat móet je li…) benaderen het, maar het grootste kunstwerk van de hedendaagse tijd zijn de bovenbenen van Dafne: die móet je live zien!

Afgelopen week vrat ze de Olympische baan in Amsterdam op, gister ging ze vrolijk verder met een ererondje door Monaco (en won ze in een rustige 10,94) en in augustus rennen de bovenbenen van Dafne de Olympische finale 100 en 200 meter. Deze bovenbenen zullen geschiedenis schrijven, wat ook een kunststukje is als dat zou lukken, overigens. Wat mij betreft zetten we die bovenbenen op een sokkel, midden op de Neude.

Dafnes marmergeworden vlees.

Dat móet je live zien!