Categorieën
Column Sport Verhaal Wielrennen

veertien

Ooit was ik veertien. Het was de tijd van het nog niet of net wel durven vragen aan een meisje. Het was de tijd van de eerste Playstation, van bezorgde ouders en van stiekem roken uit ‘t dakraam. Je was gabber, skater, metalhead of gothic. Het leven was overzichtelijk.

De zaterdag bestond uit een sportieve activiteit op een te groot veld. Schreeuwende vaders omlijstten het onhandige tafereel. Ze wisten het altijd beter en positieve feedback moest nog geboren worden. Ze bedoelden het goed. Gedwee hobbelden we achter een bal aan. Opstandigheid was er wel, maar we wisten dat er een beloning lonkte: AA Drink na de wedstrijd.

Mooie tijden.

Twee maanden terug waren we (de dame en ik) op vakantie in Italië. We zaten in een prachtig huisje halverwege een heuvel, zo’n tien minuten ten zuiden van Lucca. De vakantie bestond uit eten, cultuur snuiven en mooie fietsen checken. Dat laatste deed ik vooral. En toegegeven, ik was me er al van bewust dat Italianen voor het fietsen gaan de kam door de haartjes halen, maar dat deze jongens, mannen en vaders zó verzorgd de deur uit gaan! Stordito! Stunned! Verbijsterd was ik.

In geen ander land heb ik de liefde voor de fiets zo ervaren als daar. Natuurlijk, elke Belg groeit op met de kermiskoers en elke Nederlander gaat op de fiets naar school en werk, maar de Italiaan heeft iets dat wij niet kennen: attenzione ai dettagli. De fiets dient niet alleen schoon te zijn, maar ook te ruiken. Daarbij dient de outfit niet alleen te matchen met de fiets, maar ook met de route (‘vandaag veel bos, even de kleurencirkel erbij pakken’). De gekte zit diep. Heel diep.

Laten we de gekte maar het Pozzatoïsme noemen. Beter: het Pippoïsme.

Het Pippoïsme heeft ook zijn keerzijden. De gekte kan te diep gaan, las ik gister. Een Italiaanse jongen van veertien zou betrapt zijn op het gebruik van anabole steroïden. Sinds ik het las schieten telkens dezelfde vragen door mijn hoofd, maar toch vooral één: waarom?

Een schreeuwende vader die je AA Drink belooft als je hard rent: vooruit, we kennen ‘m allemaal. Maar jouw vader (of moeder) heeft je gouden Stelvio’s beloofd, which is: te veel! Je bent veertien. Er is je verteld dat het alles of niets is in de wielrennerij. Dat je moet cheaten om een grote te worden. Dat er maar één manier is en dat het je met liegen toekomt.

Porco Dio… Wat doet dit met je leven? En tegelijk: je hebt nog een heel leven voor je! Laat dat dan alsjeblieft La Dolce Vita zijn, knul.

Dus kroel met je moeder. Fiets een onschuldig rondje met je pa.

En rook ook maar eens lekker stiekem uit het dakraam.

Categorieën
Column DUIC Sport

lekker knállen – #61

Het fascineert me mateloos: mannen (ook wel hulken) die zich dagelijks compleet het bilspleetzweet werken om er als een uitgehouwen standbeeld uit te zien. Álles voor de zomer, álles om een zo ‘droog’ (= laag vetpercentage) mogelijk lijf in elkaar te klussen. En dat gaat met ‘OEH!’ en ‘AAH!’ en ‘FUCK!’ en ‘KUT!’. Want dat helpt, weet ik inmiddels.

Ja, zo af en toe loop ik tussen die mannen. En dat doe ik in een niet onaantrekkelijk (al zeg ik ’t zelf) maar tenger lijf, zonder vleugeltjes aan de zijkant of een borstkas als een tank. Eerder dacht ik dat mijn gedrag als tenger hulkje zijnde niet gewaardeerd zou worden. Dat ik dubbelgevouwen zou worden achter de wc-pot als ik er maar eentje aan zou kijken. Dat ik verwikkeld zou raken in een ‘oops, I dropped the soap’-scène en dat ik dan heel veel dagen niet meer zou kunnen zitten of.. Nja, geen fijne dingen, dus hield ik me maar afzijdig. Maar vandaag kwam ik ergens achter…

Na een vakantie waarin ik mezelf volledig had dicht geslibd met tig schimmelkazen, hart verdikkende fuet-plankjes en sloten witte wijn sjokte ik maar weer eens naar de sportschool. Geen grote voornemens, gewoon even het lijf aanzwengelen. Tussen de hulken, met al m’n kinderlijke onzekerheidjes. Oké, dat kon anders wist ik nu. Na het overwinnen van mijn rijangst  moest dit ook te tackelen zijn. Kwestie van hun gedrag kopiëren: beetje in de spiegel kijken, beetje tof doen, beetje Clinton Eastwood-achtig knikken naar elkaar. Gedrag dat ik feitelijk in het leven van alledag ook vertoon.

Goed, daar ging ik dan. Eerst de gang langs de muffe kleedkamer, waar mannen in onwaarschijnlijke poses zich meer per ongeluk maar soms expres aan elkaar tonen, en daarna, hop, aan de apparaten. Veertig backflipping leg pressers with no hands en twintig grondige backbone fuck ups verder was het dan zover: interactie. Er ging een wereld voor me open. Ik knikte naar die lange en naar die kale en naar die schele en iedereen was er ‘cool’ mee en knikte terug. Ik bekeek mezelf eens kritisch in de spiegel en spande mijn rechter bovenarm. Niemand lachte. Níemand lachte! Dus schoot ik zelf maar in de lach.

“Hée Jos, kommie lekker knállen, jochie?!” vroeg m’n brede buurman belangstellend. “Leuke stukkies op dat DUIC, láche mán!” vervolgde hij.

“Thanks,” antwoordde ik, uiterst tof.

Lekker knállen dus.

Categorieën
Column DUIC Sport

geen service – #60

Ik beken: ik krijg niets mee van de Olympische Spelen. Vorig jaar was ik offline toen de Tour in Utrecht startte, dit jaar mis ik de fenomenale bovenbenen van onze Dafne en onze Tom. Maar goed, voor een mooie vakantie en linksboven in het scherm van m’n telefoon de mededeling ‘Geen service’ heb ik wat over. Zei ik tegen haar maar dat dacht ik dus niet. En dat begin ik nu te voelen. Geen flits, geen snapshot, he-le-maal níets heb ik nog gezien. Goed, onze Jeroen mag de driekleur dragen, onze Yuri houdt van een drankje of wat, en onze Tom moet nog één keer de eer laten aan het afzwaaiende achterwerk van het paard Cancellara, maar dat zijn allemaal dingen die ik gelézen heb, niet gezien.

Vakantie is leuk, maar het internet in de Franse Drôme lijkt uit het prehistorische Fanny Blankers-Koen-tijdperk te komen. En dan onze ‘camping aire naturelle’ (zo’n camping uit hetzelfde tijdperk, waar de voorzieningen bestaan uit een waterpomp, een poepkuil, een rafelige waslijn en geen stroom): het klinkt uitermate gezond voor een doorgedigitaliseerde Randstedeling als ik. Even eruit, even de boel de boel, even helemaal niks. ‘Helemaal niks’ is het geworden. U zegt ‘luxepaard’? Prima, deert me niet. Ik hunker inmiddels naar een te uitvoerige Studio Sport-uitzending over onze Dafne en wel of geen make-up, een meditatief kwartiertje in het kikkerbad met onze Kromo en een driedelige documentaire over wat onze volleybal-dames eten.

Terwijl ik een handwasje doe bij de waterpomp, mijmer ik verder. De dagen duren lang hier en nu ik er over nadenk… Ik weet geeneens meer welke dag het is. Erger: ik weet niet meer wanneer onze Dafne de finales 100 en 200 meter gaat winnen! In een loom tempo hang ik de was aan de lijn. Ik laat het zeer het zeer maar zijn, het gemis het gemis en ik haal m’n schouders op.

“Als je maar thuis bent voor dat standbeeld van haar op de Neude wordt onthuld joh,” fluistert ze in m’n oor.

Categorieën
Column DUIC Sport

autohart – #59

Een autohart, daar lachte ik om. Het was voor shag draaiende gasten die hun mbo niet hadden afgemaakt of voor CEO’s met een geslachtsdeel compenserende drang. In mijn ogen waren het aandachttrekkers die zo niet heel hard ‘HALLO, IK LOOP HIER!’ hoefden te schreeuwen, maar een gaspedaal in konden drukken en dat dat stuk ijzer dan ‘VROAAARRR!’ zei. Dat behoefde verder geen uitleg. En dan lachte ik nóg harder.

Ik beken: ik behoorde tot de groep langharige alternatievelingen die het heel tof vond om op achttienjarige leeftijd géén rijbewijs te halen. Het OV zou me overal brengen en bovendien kon ik er dan altijd voor kiezen om laveloos te stranden op een Amsterdam Sloterdijk of Rotterdam Alexander. Dát was leven. Niet dat net voor twaalven vertrekkende BOB-volk met hun te dure auto’s met door knuisten gemaakte special edition velgen uit een of andere Italiaanse fabriek. Daar lachte ik om.

Schoorvoetend haalde ik acht jaar later toch mijn rijbewijs. Argument: het was soms wel fijn voor anderen als ik ook een stukje reed. Mijn omgeving knikte instemmend. Na het behalen van mijn rijbewijs reed ik een keer naar Brugge, een keer naar een houten hut in de Duitse Eifel en met een paar vrienden reed ik mijn voorlopig laatste ritje over de Amersfoortse stadsring. Tijdens dat ritje viel de auto stil, midden op een overvol kruispunt. Ik flipte ‘m, ik flipte ‘m buitensporig, zelfs zó buitensporig dat ik geen enkele auto de jaren daarna meer aan zou raken. En ja, daar lachten ze om.

Inmiddels zijn we wat autoloze jaren, ademhalingsoefeningen en emdr-sessies verder. Vorige week werd ik dan écht voor het blok gezet: mijn vriendin wist een 307 te bemachtigen, ik boekte een aantal nachten in een cottage onder het Bretonse Corlay, tsjah, en toen moest ik… Met klotsende oksels, gutsende zweethanden en een zeiknatte rug stapte ik in de volgeladen auto. Vanuit het nog pikdonkere Utrecht reden we weg en 1000 kilometer later parkeerde ik de Peugeot voor het huisje. Ik overdrijf niet wat ik nu ga zeggen: een overwinnaar stapte uit de auto, de chamadetrompetten tetterden in m’n hoofd, gejuich bulderde uit mijn keel. En een autohart was geboren. Ze lachte er om.