Categorieën
Column Wielrennen

Chute

Wanneer kan ik weer fietsen?!

Dat is het enige dat door mijn hoofd gaat. Ik baal van mezelf, van mijn domheid, van het te gladde rooster, van het aanzetten in een te krap bochtje met te hoge snelheid. Een kreet, het beeld van mijn kapotte handen en gescheurde nagels, grind, een kapotte maar nog niet bloedende knie. Ik voel iets onheilspellends in mijn schouder. Lichaam en geest zijn nog even los van elkaar. De klap is te hard om dit zintuiglijk fatsoenlijk op te vangen.

Ik wil opstaan, het grind uit m’n wonden pulken. Ik voel een paar armen me helpen. Mart geeft aan naar de boerderij verderop te fietsen voor jodium en pleisters. Pa bekommert zich over mij.

Licht in m’n hoofd.

Net op tijd hang ik mijn hoofd weer tussen mijn benen. Nog twee keer wil ik het proberen, maar ik kan niets anders dan zitten. Uit de wind. Alles is te veel nu. Incasseren, meer kan ik niet doen, mijn ademhaling weer rustig krijgen.

Een kwartier later fiets ik al wieltjes zuigend terug naar huis. We hebben wind mee. Op adrenaline weet ik me verrassend genoeg in een redelijk tempo naar huis te sturen. Daar komt m’n lijf pas echt tot stilstand en zal ik alles moeten voelen wat me is overkomen. Nog nooit was een douche zo pijnlijk.

Maar wanneer kan ik weer fietsen?!

Malloot.

 

 

Categorieën
Column Sport Verhaal Wielrennen

veertien

Ooit was ik veertien. Het was de tijd van het nog niet of net wel durven vragen aan een meisje. Het was de tijd van de eerste Playstation, van bezorgde ouders en van stiekem roken uit ‘t dakraam. Je was gabber, skater, metalhead of gothic. Het leven was overzichtelijk.

De zaterdag bestond uit een sportieve activiteit op een te groot veld. Schreeuwende vaders omlijstten het onhandige tafereel. Ze wisten het altijd beter en positieve feedback moest nog geboren worden. Ze bedoelden het goed. Gedwee hobbelden we achter een bal aan. Opstandigheid was er wel, maar we wisten dat er een beloning lonkte: AA Drink na de wedstrijd.

Mooie tijden.

Twee maanden terug waren we (de dame en ik) op vakantie in Italië. We zaten in een prachtig huisje halverwege een heuvel, zo’n tien minuten ten zuiden van Lucca. De vakantie bestond uit eten, cultuur snuiven en mooie fietsen checken. Dat laatste deed ik vooral. En toegegeven, ik was me er al van bewust dat Italianen voor het fietsen gaan de kam door de haartjes halen, maar dat deze jongens, mannen en vaders zó verzorgd de deur uit gaan! Stordito! Stunned! Verbijsterd was ik.

In geen ander land heb ik de liefde voor de fiets zo ervaren als daar. Natuurlijk, elke Belg groeit op met de kermiskoers en elke Nederlander gaat op de fiets naar school en werk, maar de Italiaan heeft iets dat wij niet kennen: attenzione ai dettagli. De fiets dient niet alleen schoon te zijn, maar ook te ruiken. Daarbij dient de outfit niet alleen te matchen met de fiets, maar ook met de route (‘vandaag veel bos, even de kleurencirkel erbij pakken’). De gekte zit diep. Heel diep.

Laten we de gekte maar het Pozzatoïsme noemen. Beter: het Pippoïsme.

Het Pippoïsme heeft ook zijn keerzijden. De gekte kan te diep gaan, las ik gister. Een Italiaanse jongen van veertien zou betrapt zijn op het gebruik van anabole steroïden. Sinds ik het las schieten telkens dezelfde vragen door mijn hoofd, maar toch vooral één: waarom?

Een schreeuwende vader die je AA Drink belooft als je hard rent: vooruit, we kennen ‘m allemaal. Maar jouw vader (of moeder) heeft je gouden Stelvio’s beloofd, which is: te veel! Je bent veertien. Er is je verteld dat het alles of niets is in de wielrennerij. Dat je moet cheaten om een grote te worden. Dat er maar één manier is en dat het je met liegen toekomt.

Porco Dio… Wat doet dit met je leven? En tegelijk: je hebt nog een heel leven voor je! Laat dat dan alsjeblieft La Dolce Vita zijn, knul.

Dus kroel met je moeder. Fiets een onschuldig rondje met je pa.

En rook ook maar eens lekker stiekem uit het dakraam.

Categorieën
Verhaal Wielrennen

ramon sinkeldam, de poldernaam die won

Sinkeldam. Ramon Sinkeldam. Een naam als een Noord-Hollands viaduct. Zou prima passen tussen deze poldernamen.

Even Google aanslingeren.

Mooie jongen. Weet zich goed glad te scheren. Bovengemiddeld lang voor een renner, want 1 meter en 93 centimeter. Da’s enorm. Prachtig formaat lead-out-man. Won Parijs-Roubaix voor onder de 23 en in 2011 de Ronde van Limburg. Alles daarna was in dienst van kopmannen Kittel, Degenkolb en Dumoulin. Pro Cycling Stats verklapt niets spannends in ieder geval.

Maar gister was alles anders.

Het enige echte team binnen het wielrennen, het team waar ik écht een clubgevoel bij heb, werkte zich helemaal het schompes tegen de geelzwarte brigade van ome D. (also sprach heer Zonneveld al eens.) Eerst wisten de geelzwarten de kopgroep te vormen en daarna met beulen als Jos en Stef op kop iedereen de tong tussen de spaken te fietsen.

Gelukkig voor de Sunweb-mannen was roze Tom net voldoende uitgerust van zijn tijdrit om de finale te openen. Het bleek niet meer dan een prikje te zijn, maar de poging deed de wielerfans even opveren van de bank.

Toen Pieter Weening. Onwaarschijnlijk zwaar Pieter Weening. Als een fietsende fjord. Ik bedoel, Pieter, kom op man…

Lars *BOOMBOOM* Boom deed wat alleen hij kan: er zoveel in een keer uit persen dat alle sap 200 meter voor de finish sowieso op is. Hij ging het never nooit halen. We wisten het allemaal. We vonden het prachtig.

En dus sprint.

Verslaggever 1 riep al 10 minuten lang ‘Groenewegen’ in het oor van verslaggever 2 en dus keek iedereen naar de brede rug van Dylan. Straf staaltje hoor, twee jaar achter elkaar het NK op de weg winnen.

Lege bakjes chips en een dood biertje werden ergens op het aanrecht gezet. Één oog nog op het scherm, het andere al richting de vaatwasser.

Maar het werd nooit geelzwart vooraan. Te kapot, te weinig jus in de poten. De groene Wouter Wippert juichte de grootste leugen van z’n leven (auw!), maar het niet juichende viaduct Sinkeldam bleek een dikkere band te hebben. Jawel, het clubgevoel won wederom.

Prachtig: een knecht in de kampioenstrui.

 

 

 

Categorieën
Column DUIC Wielrennen

martijn wie?! – #67

Wanneer Dafne Schippers ‘boeh’ of ‘bah’ zegt, weten de media er onderzoeksjournalistiek van te maken. Als Erik ten Hag nog niet de gewenste resultaten haalt met zijn team, schrijven kritische Utrecht-watchers de club al de Zondag Amateurs in. Als Wilco Keldermans ketting eraf valt en hij ‘m er zelf weer op zet maken de media er een Zomergastenachtig item over met zijn ouders. De beste mensen vertellen dat hij vroeger altijd moest huilen als dat gebeurde, maar dat ie dat nu helemaal zelf kan. Al wandelend langs Wilco’s basisschool vertelt vader Kelderman over Wilco’s fietsavonturen. In Veenendaal. Want dat ligt nog net in Utrecht (huh?). En als Martijn Tusveld – Martijn wie?! – 18e wordt in de… – Martijn Tusveld?? – Zegt u niets?

Het is oké. – Martijn Tusveld?! – Rustig maar, het is weekend.

Nee,” duwt u er uiteindelijk wat vertwijfeld uit, “zegt me niets.”

Precies, dat dacht ik al. Vooruit, u mag drie keer raden… Sorry, u zegt?… Ik versta u niet zo goed. U mompelt een beetje, ik probeer het te ontcijferen.

Nee, geen professionele bollenpeller… Nee, heeft zich nooit gespecialiseerd in zaklopen op de Vrijmarkt… Nee, hij kan niet heel snel heel veel te hete bitterballen achter elkaar naar binnen werken. Helaas, u bent af.

Martijn Tusveld is een wielrenner en Martijn Tusveld werd gister 23 jaar. Als u googelt op Martijn Tusveld vindt u al snel nieuwsberichten die gaan over het krijgen van een stagecontract hier en een profcontract daar. Hij is lekker bezig. Prima. Oh ja: Martijn Tusveld komt uit Utrecht. En daar gaat het om.

Op dit moment houdt Martijn Tom Dumoulin uit de wind in de Ronde van Groot-Brittannië. Geen rondje voor pannenkoeken. Na zes etappes staat Martijn bovendien 30e in het algemeen klassement. Martijn is zelf dus óók geen pannenkoek. Wat ik hoop is dat Martijn een superster op de fiets wordt. Een soort Peter Sagan maar dan op z’n Hollands. Dat ie na het winnen van de regenboogtrui kwijlend wat vragen beantwoordt, de EU-problematiek oplost in tien seconden en aan het einde van het interview nog even de groeten doet aan z’n oom in Ondiep waar ie nog elke week een uurtje mee damt.

Uiteraard is deze generatie renners (Gesink, Terpstra, Poels, Dumoulin) best aardig, maar ik ben nog op zoek naar een Nederlandse renner die iedereen he-le-maal de vernieling in rijdt. Ik zie het wel voor me: ‘Tusveld wéér de sterkste in heroïsche Alpenrit’, ‘Martijn doet ze weer pijn’ en ‘Tusveld en dan heel lang niets’. Laten we hem maar vast de hemel inschrijven, elke scheet die hij laat bejubelen met ‘oh wat knap!’ en hopen dat z’n ketting er niet af dondert op de momenten dat het er om gaat.

Spannend, dat zeker! En in dat perspectief, lieve media, is het misschien toch beter om hem nog even geheim te houden. Hem koesteren… Ssst! Mondje dicht hè!

Martijn wie?!

Gefeliciteerd, Martijn. Met je verjaardag én je profcontract.

Categorieën
Wielrennen

#50 grindbakgebit

13 juli 2013, Lyon. Het moet er verschrikkelijk warm zijn geweest die dag. De laatste kilometers stonden de mensen meer dan vijf rijen dik tegen elkaar aan geplakt. Het rook er naar zomer, zweet en chauvinisme, een Fransman reed voorop. Journalisten van dezelfde komaf verkneukelden zich al: dat werden prachtige koppen op hun ‘quatorze juillet’! En ook voor ons Nederlanders waren het mooie dagen: Johnny reed voor de 397e keer (tevergeefs) voorop in die prachtige trui en Bau (op dat moment 2e) en Lau (5e) deden het lekker in het algemeen klassement.

Daar was de vod – en daarmee de Franse *putain de merde!* teleurstelling. De arme Julien Simon – normaliter een uit-de-wind-houder, maar die dag in de finale van een TDF-etappe – werd door een groep achtervolgers opgevroten. Het kolfje zou naar de hand van de Zwitser Albasini zijn. Uitgemaakte zaak. Ik schreef z’n naam vast op. Man met timing en ergens wat Italiaans sprintersbloed: dat kon niet mis gaan. 

Maar het verhaal zou zich anders laten schrijven. Een ventje met een gebit als een grindbak duwde zijn neus aan ‘t venster. Vol ondeugd passeerde hij als eerste de finish. Tien, twintig centimer scheelde ‘t maar met de nummer 2. Het bleek een Italiaan, energiek en een gnuif waarvan ik in de lach schoot. Hij moest onbedaarlijk veel macht in de poten hebben voor het heuvelachtige klassiekerwerk, anders won je geen etappe in de Tour. Die moest ik in de gaten gaan houden.

Helaas. Ik bleek in de jaren daarna toch vooral te behoren tot de groep ‘gemakzuchtige kijkers.’ Ik ontwikkelde een vanzelfsprekend zwak voor mensen die vaak tweede werden (Greg & Peter), elk jaar weer hoopte ik dat Niki Terpstra een klassieker zou winnen (en jawel) en Giant werd voor mij de meest sympathieke wielerploeg in het peloton (schot voor open doel). Een clichématige wielerfan: genoeg wetend voor de kroegpraat, te weinig voor de wielerquiz.

Tot afgelopen woensdag 6 april. De wielerwereld probeerde nog steeds woorden te vinden voor wat er drie dagen daarvoor in de 100e Ronde van Vlaanderen was gebeurd, maar in Antwerpen werd er al weer een blik aan wereldse spurtersbenen open getrokken. Als clichématige wielerfan had ik eigenlijk geen tijd voor kleinere eendagskoersen, maar tijdens het zappen bleef ik – meer per ongeluk dan expres – toch hangen bij Michel en José. De renners moesten nog 5 kilometer weg trappen, de treintjes werden gevormd en iedereen voelde langzaamaan ‘t zuur de oren uitkomen. En daar was hij weer (vanaf 1:30 zonder bril), drie jaar later: het grindbakgebit! In een volledig andere rol, zich uit de naad werkend voor Der Marcel, maar hij was er weer! Vast had ik ‘m gezien tijdens andere koersen, maar als gezegd: gemakzuchtige kijker…

Maar zondag ga ik voor ‘m zitten, tijdens Parijs-Roubaix. Hij zal niet als eerste de wielerbaan opkomen. Hij zal de kastanjes, de kasseien, uit het vuur slepen voor zijn kopmannen. En ik ga iets minder die gemakzuchtige kijker uithangen. Tenminste, als het om die gnuivende grindbak van Matteo Trentin gaat.

Categorieën
Wielrennen

#49 interbellum

Welkom in de mooiste week van het jaar, vélo vererende lezer. Echt waar, de rest doet er even niet toe.

*U twijfelt, maar leest door.*

Al zijn het monsterontsnappingen van 200+ kilometers, al wint er een Nederlander L-B-L, al bestijgt er een Maastreechtse bink het Olympische podium: híer, nú en om déze week gaat het.

*Uw nieuwsgierigheid is gewekt en even droomt u weg en ziet u weer het wapperen van de zwarte leeuw op het gele doek. U kantelt het glas weer naar stevige stijgingspercentages en proeft weer even afgelopen zondag.*

Het mag! Ja! Zuip uzelve te pletter, neem de week vrij, kniel voor elk passerend frame met twee wielen en zing van zielevreugd’ over de koers! En vooruit, dat mag u een beetje aandikken met wat biggelaars.

*U bent ‘t, nondeju, met me eens! Vrouwlief schrikt van de knallende knuist op tafel. BAM!*

Wat u zondag heeft gezien was de meest sacrale editie van De Ronde van Vlaanderen sinds tijden.

*BAM #2!*

Een super-Slowaak in de mooiste en tevens lelijkste wielertrui deed alles goed en – laten we wel wezen – beter dan we hadden durven dromen.

*Super-Slowaak Petrus S.*

Onze Petrus S. – de meest roekeloze gelovige in koers – verloochende de wielerwetten en verloste zichzelf. Belangrijker nog: afgelopen zondag bracht Petrus S. het rotsvaste geloof weer terug bij de gewone man. Het geloof in de koers, het geloof in het samen bewieroken van de koers en vooral het geloof in dat sámen kunnen doen.

*Wanneer de godenverering u wat ver gaat, heeft u waarschijnlijk nog niet genoeg gedronken.*

En volgende week gaan Petrus S. en consorten het huwelijk weer aan met de Koningin der Klassiekers: Paris-Roubaix. En Petrus S. – met zijn rotsvaste geloof – zal over de kasseien heen denderen, op weg naar zijn lief die hem zal opwachten, daar, bij de finish op die wielerbaan. En wat er ook gebeurt – of hij nu wint, tweede wordt of zijn sleutelbeen breekt – hij weet één ding verdomd goed, lieve lezer: it’s bad to be sad. 

*U lacht en probeert zo nasaal mogelijk dit tegen vrouwlief te zeggen. Het liefst zal ze dit nooit begrijpen, maar zal haar hart wel een vreugdesprongetje maken om het feit dat u nog steeds een jongetje bent.*

Kijk nog even terug op De Ronde en begin u maar vast te verkneukelen over Trouée d’Arenberg en le Carrefour de l’Arbre.

Koers is geen oorlog, maar ‘t is dikwijls oorlog in koers.

Welkom in de mooiste week van het jaar.